Conclusie
1.Feiten
GEBRUIK GEMEENSCHAPPELIJKE VOORZIENINGEN
GEBRUIK GEMEENSCHAPPELIJKE VOORZIENINGEN
instandhouding infrastructuur, aansluiting op het centraal antenne-systeem, waarvan de gebruikerskosten apart in rekening worden gebracht, [11] onderhoud van de openbare wegen en paden, onderhoud van openbare verlichting langs wegen en paden, onderhoud van de openbare groenvoorzieningen en randbeplanting, onderhoud en controle op waterbeheersing van het park en vijver, verzekeringskasten van openbare voorzieningen, onderhoud van perscontainer, onderhoud van speeltoestellen, onderhoud van bos, onderhoud waterpartij, beheer van het toegangscontrole systeem met camera’s en slagboom, onderhoud receptiegebouw en onderhoud tennisbaan en al het overige ten behoeve van de Algemene Voorzieningen te maken kosten.
2.Procesverloop
dan zoals vastgesteld in de respectievelijke akten van levering van de eisers” en - in cassatie niet langer van belang - dat Lecc Vastgoed verplicht is om gas (indien van toepassing), water, elektra, riolering en kabel TV op de te doen gebruikelijke wijze, op deugdelijke wijze en conform de toepasselijke wettelijke bepalingen aan alle huisjes van de eigenaren te leveren en geleverd te houden. [17] De overige vorderingen van de eigenaren heeft de rechtbank afgewezen. Ook de vorderingen van Lecc c.s. in reconventie werden afgewezen, waaronder een gevorderde verklaring voor recht dat de eigenaren vanaf 1 januari 2012 aan Lecc Exploitatie, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, per bij afzonderlijke akte aan het geleverd object of aantal objecten, een jaarlijkse parkbijdrage hebben te voldoen, zoals beschreven in de hiervoor in 1.10 genoemde beheersovereenkomst. [18] De rechtbank heeft zowel in conventie als in reconventie de proceskosten gecompenseerd. [19]
nieuwekettingbedingen. De tekst van dat kettingbeding, waaronder artikel 1 sub Pro a, ziet vrijwel geheel op het gebruik van het eigendom als huisje/bungalow. Niet onderbouwd heeft Lecc c.s. waarom desondanks het gehele kettingbeding, waarin begrepen de verplichting tot betaling van de volledige parkbijdrage, op de betreffende eigenaar van een parkeerplaats toepasselijk zou zijn. De betreffende eigenaren van afzonderlijk geleverde parkeerplaatsen hoefden er ook niet op bedacht te zijn dat er een afzonderlijke bijdrageplicht zou ontstaan naast de reguliere parkbijdrageplicht betreffende hun huisje.
Verlaging jaarlijkse parkbijdrage tot € 450,-,
’een door een deel van de eigenaren (maar niet [eiser] c.s.) - buiten het petitum om in de toelichting op grief 1 in het incidenteel appel - gevorderde verklaring voor recht met de strekking dat de eigenaren met een akte van levering van vóór 2003 niet een hogere parkbijdrage verschuldigd zijn dan € 450,- per jaar. [23] Het hof overweegt:
oudeparkbijdrage verschuldigd is omdat die niet is aangepast. Dat zou ook gelden voor [eiser] c.s. [24]
''belastingen en dergelijke"worden omgeslagen, geeft evenmin grond voor het opleggen van een hogere jaarlijkse bijdrage ten behoeve van de renovatie van de voorzieningen van het park. Renovatie van de voorzieningen is immers een geheel andere kwestie dan belastingheffing.
Parkbijdrage voor parkeerplaatsen
geen bewijs is aangeboden van feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel dan het voorgaande kunnen leiden.” [25]
3.De betrokken standpunten
akte van 14 november 1997, waarbij aan [eiser] c.s. het huisje is geleverd, bevat een regeling over het gemeenschappelijk gebruik van algemene delen, die ook is opgenomen in andere (door eisers overgelegde) akten waarbij een particulier aan een andere particulier een bungalow met ondergrond heeft verkocht en geleverd. De praktijk van het ongewijzigd overnemen van de oude tekst (met een in guldens uitgedrukt bedrag van de parkbijdrage) is nà de invoering van de chartale euro (per 1 januari 2002) gecontinueerd. [26] Achter een bedrag in guldens staat steeds “op basis van” een bepaald jaar (1989, 1991, 1992, 1993 etc.). [27]
akte van 29 december 2003met betrekking tot de levering van (grond en) een parkeerplaats aan [eiser] c.s. bevat een nagenoeg gelijkluidende regeling als de akte van 14 november 1997; alleen is het bedrag van de parkbijdrage daar gesteld op € 450,-. Dit bedrag staat in alle overgelegde leveringsaktes uit 2002 en 2003 waarbij De Horn B.V. optrad als verkoper. [28]
standpunt (i)dus. [30] Volgens Lecc c.s. heeft de tweede parkbijdrage een zelfstandige betekenis naast de parkbijdrage voor het huisje. Welke extra of andere diensten een tweede bijdrage zouden rechtvaardigen, [31] blijkt echter niet uit de stellingen van Lecc c.s. in feitelijke aanleg.
in de plaats gekomenvan de parkbijdrage genoemd in de akte van levering van het huisje. [eiser] c.s. stellen daarom één parkbijdrage van € 450,- per jaar verschuldigd te zijn;
standpunt (iii)dus. [32] De lezing van [eiser] c.s. lijkt door De Horn B.V., hun contractspartij, te worden bevestigd. In een e-mail van 18 januari 2011 staat dat
geen extraparkbijdrage betaald wordt “
indien in de periode 2002-2003 een parkeerplaats of een extra stukje grond is gekocht”. [33]
rechtbankheeft het standpunt van Lecc c.s. verworpen (rov. 4.4.9) en de daarmee verband houdende vordering tot verklaring van recht afgewezen (rov. 4.13.1). De door de eigenaren gevorderde verklaring voor recht, dat zij niet gehouden zijn tot betaling van een hoger bedrag aan parkbijdrage dan zoals vastgesteld in de respectievelijke akten van levering van de eigenaren, is toegewezen (rov. 4.4.10). Hoewel deze verklaring voor recht er naar haar bewoording niet aan in de weg dat van [eiser] c.s. tweemaal een parkbijdrage wordt geïnd - nu in hun beide akten van levering verschuldigdheid van een parkbijdrage is opgenomen -, volgt uit de overwegingen die tot dat dictum hebben geleid [34] dat volgens de rechtbank jaarlijks één parkbijdrage verschuldigd is. Niet duidelijk is dan weer of dit de in de akte uit 1997 genoemde parkbijdrage is of die uit de akte van 2003. Het oordeel van de rechtbank wijst in de richting van het eerste. Zij overweegt namelijk dat Lecc c.s. niet hebben onderbouwd waarom de verplichting tot betaling van de parkbijdrage op de betreffende eigenaar van een parkeerplaats toepasselijk zou zijn. Eigenaren van de afzonderlijk geleverde parkeerplaatsen hoefden er volgens de rechtbank niet op bedacht te zijn dat een afzonderlijke bijdrageplicht zou ontstaan
naastde reguliere bijdrageplicht betreffende hun huisje;
standpunt (ii)dus.
hofklaarblijkelijk van het vonnis geeft, waar het overweegt dat door Lecc c.s. gegriefd wordt tegen het oordeel van de rechtbank dat de eigenaren die een of meer parkeerplaatsen geleverd hebben gekregen bij een afzonderlijke akte waarin het kettingbeding van toepassing is verklaard, wat betreft die afzonderlijk geleverde parkeerplaats(en) niet aan dat beding gebonden zijn, zodat zij voor die parkeerplaats(en) geen afzonderlijke bijdrage verschuldigd zijn. Het hof overweegt vervolgens in het kader van de uitleg van het kettingbeding in de leveringsakte van de parkeerplaats dat het argument dat tweemaal betalen onredelijk zou zijn (omdat de positie van de eigenaar die huisje en parkeerplaats na elkaar verwerft niet afwijkt van die van de eigenaar die huisje en parkeerplaats bij één leveringsakte heeft verkregen), onvoldoende is “
om het beding in feite als geheel ongeschreven te beschouwen”. Dat lijkt te betekenen dat [eiser] c.s. twee maal de parkbijdrage moeten betalen zodat het hof feitelijk
standpunt (i)onderschrijft.
in de plaats is gekomenvan de parkbijdrage genoemd in de akte van levering van het huisje. [35]
daaraan ten grondslag liggende obligatoire overeenkomsttussen [eiser] c.s. en De Horn B.V.. De vervolgvraag is dan of hetgeen die partijen geacht moeten worden te zijn overeengekomen, aan Lecc c.s. als opvolgend beheerder kan worden tegengeworpen. Dat heeft het hof m.i. miskend.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Lisser/Kamsteeg [37] en
Eisers/Condor Constructions [38] hebben miskend. Zo het hof een en ander niet heeft miskend, stellen [eiser] c.s. dat het hof zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd.
subonderdeel 2.1.1geven [eiser] c.s. een overzicht van de volgens hen voor deze zaak relevante jurisprudentie en literatuur over de uitleg van overeenkomsten. Die uiteenzetting mondt uit in:
ofwelheeft miskend dat, zo het kettingbeding in de leveringsakte(n) op één lijn moet worden gesteld met een opstalrecht en daarom objectief moet worden uitgelegd, zulks onverlet laat dat de daaraan ten grondslag liggende obligatoire overeenkomst moet worden uitgelegd volgens ‘de (volle) Haviltextoets’, zodat - anders dan het hof overweegt - de partijbedoeling wel degelijk van belang is,
ofweleen onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, althans een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven, [39] en;
Lisser/Kamsteeg. [40]
heeft toegepast. [41] Die lezing is onjuist: net als de rechtbank heeft het hof toepassing gegeven aan de geobjectiveerde variant van de Haviltex-norm. Zie de hiervoor in 4.10 geciteerde rov. 3.6.3, waar het hof spreekt van ‘de geobjectiveerde partijbedoeling’.
“van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen”. Tot die omstandigheden van het geval behoort ook de partijbedoeling. Dat het hof de partijbedoeling in zijn beoordeling heeft betrokken, blijkt vervolgens uit rov. 3.10.2, waar het refereert aan de verklaring van De Horn B.V. Het hof heeft geoordeeld dat zulks onvoldoende is om aan de duidelijke tekst van de leveringsakte af te doen. Dat oordeel acht ik op zichzelf niet onbegrijpelijk.
onder (i)weergegeven klacht feitelijke grondslag mist, waar zij berust op de lezing dat het hof de partijbedoeling van [eiser] c.s. en De Horn B.V. niet van belang heeft geacht. Het hof heeft de partijbedoeling wél meegewogen en daaromtrent niet een onbegrijpelijk oordeel gegeven. In zoverre faalt onderdeel 2.1.1.
onder (ii)weergegeven klacht is door [eiser] c.s. geplaatst in de sleutel van de arresten
Eisers/Condor Constructionsen
Lisser/Kamsteeg. In het eerste arrest, dat de uitleg van een sociaal plan betrof, was - kort gezegd - de cao-norm van toepassing, maar werd daar de nuancering op aangebracht dat onder bijzondere omstandigheden mede betekenis kan toekomen aan de voor derden niet kenbare bedoeling van de opstellers. Voor zover [eiser] c.s. zich op dit arrest beroepen, zien zij er opnieuw aan voorbij dat het hof in het onderhavige geval niet de cao-norm maar de geobjectiveerde Haviltex-norm heeft toegepast, en voorts dat de in het arrest geformuleerde nuancering op de cao-norm de situatie betreft dat de procedure zich richt tegen een partij die zelf betrokken was bij de totstandkoming van een afspraak. [49] Dat is hier niet het geval, nu Lecc c.s. geen partij waren bij de obligatoire overeenkomst tussen [eiser] c.s. als koper en De Horn B.V. als verkoper.
Lisser/Kamsteeg, volgt dat het bij de beantwoording van de vraag naar de inhoud van een opstalrecht weliswaar aankomt op de in de notariële akte van vestiging van het recht van opstal tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling (die moet worden afgeleid uit de in die akte opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte uit te leggen, omschrijving), maar dat een door een van partijen gevoerd verweer aanleiding kan geven tevens te onderzoeken of de inhoud afwijkt van hetgeen partijen zijn overeengekomen in de aan de akte ten grondslag liggende obligatoire overeenkomst. Dat is precies wat onderdeel 2.1.1 onder (ii) (zie 4.3 hiervoor) aan de orde stelt. Een feitelijk verschil is dat Lecc c.s. geen partij waren bij de aan de in de akte opgenomen kettingbeding ten grondslag liggende obligatoire overeenkomst. Niettemin meen ik dat [eiser] c.s. terecht aansluiting zoeken bij het arrest
Lisser/Kamsteeg.
Indien u in de tussenliggende periode 2002-2003 een parkeerplaats of een extra stukje grond gekocht heeft betaald [sic] u geen extra parkbijdrage.” Voorts betogen [eiser] c.s. dat Lecc c.s. voor de eigenaren die in feitelijke aanleg zijn aangeduid als eisers nrs. 4, 11, 16, 22, 23 en 28, geen extra werkzaamheden of inspanningen verricht die een dubbele parkbijdrage ten aanzien van deze eigenaren zouden rechtvaardigen. Evenmin menen zij het bungalowpark extra te belasten. [52] Tot slot wijzen [eiser] c.s. erop dat bij pleidooi ten overstaande van het hof op 14 juli 2016 door andere eigenaren als volgt is verklaard:
beidekettingbedingen. Dat verweer had het hof niet onbehandeld mogen laten. [53]
naastde € 450,-. [54]
betrekkelijk nietszeggend” is, is op die plaats een overweging ten overvloede. Voor zover [eiser] c.s. daartegen opkomen, hebben zij bij die klacht daarom geen belang.
subonderdeel 2.1.3citeren [eiser] c.s. uit rov. 3.10.2 van het bestreden arrest. De daarop volgende klachten lijken grotendeels een herhaling te vormen van wat in subonderdeel 2.1.1 naar voren is gebracht. In voetnoot 16 wordt evenwel - voor het eerst uitdrukkelijk - geklaagd dat het hof heeft miskend dat de cao-norm niet van toepassing is op de uitleg van de leveringsakte. Daaruit maak ik op dat ook in dit subonderdeel is beoogd te klagen dat het hof bij de uitleg van de leveringsakte een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. Deze klacht moet bij gebrek aan feitelijke grondslag falen. Het hof heeft als gezegd (zie 4.4) niet de cao-norm maar de geobjectiveerde Haviltex-norm toegepast.
subonderdeel 2.1.4berust op dezelfde onjuiste veronderstelling en faalt om dezelfde reden.
subonderdeel 2.1.5herhaalt voor een deel de klacht uit subonderdeel 2.1.2. Daarbij hebben [eiser] c.s. geen belang. Uit het enkele feit dat het hof de door [eiser] c.s. gestelde omstandigheden afzonderlijk van elkaar heeft besproken en ten aanzien van enkele individuele omstandigheden heeft overwogen dat zij (op zichzelf) onvoldoende zijn om af te doen aan de duidelijke tekst van de leveringsakte, kan niet worden afgeleid dat het hof heeft miskend dat alle omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang moeten worden beschouwd.
“kopers van een parkeerplaatstegelijk meteen huisje(…)
geen aparte parkbijdrage[betalen]
voor de parkeerplaats”. Dat blijkt reeds (in ander verband) uit rov. 3.5.3 en de overweging in rov. 3.10.2 dat het argument dat het onredelijk zou zijn dat een parkbijdrage voor de grond en parkeerplaats verschuldigd zou zijn, omdat de positie van deze eigenaar niet afwijkt van die van de eigenaar die huisje en parkeerplaats(en) bij één leveringsakte heeft verkregen, onvoldoende is om het beding in feite als geheel ongeschreven te beschouwen. Het feit dat kopers die
gelijktijdigeen huisje en een parkeerplaats hebben gekocht, slechts één bijdrage betalen, is door het hof dus als zodanig wel onderkend.
subonderdeel 2.1.7heeft het hof verder miskend dat, zelfs indien zou moeten worden uitgegaan van een uitleg volgens de cao-norm, er desalniettemin acht had moeten worden geslagen op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de onderscheiden tekstinterpretaties. [56] De omstandigheid dat bij de door het hof gekozen uitleg twee keer een parkbijdrage verschuldigd is, zonder dat daarvoor enige objectieve rechtvaardiging is gegeven, had het hof in zijn oordeel moeten betrekken. Zo het hof dit niet heeft miskend, heeft het zijn oordeel in zoverre onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, aldus het subonderdeel.
subonderdeel 2.1.8dat het hof heeft miskend dat er ook bij de taalkundige uitleg ruimte is voor een andere uitleg dan uit de bewoordingen strikt genomen naar voren komt, indien de partijbedoeling anders was. [57] Zo het hof dit niet heeft miskend, heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, nu door eisers gemotiveerd is gesteld dat de bedoeling van partijen was dat maar één keer een parkbijdrage verschuldigd was. Het hof had, nu in de akte van 29 december 2003 niet is vermeld dat slechts eenmaal een parkbijdrage is verschuldigd, het kettingbeding in het licht van de aangedragen omstandigheden wel in die zin moeten uitleggen.
van de leveringsaktenopen. Ik verwijs ook naar wat ik heb opgemerkt onder 4.7 en 4.8.
onderdeel 2.2klagen [eiser] c.s. dat het hof in rov. 3.17.4 hun bewijsaanbod ten onrechte heeft gepasseerd. Zij stellen dat sprake is van een aanbod tot tegenbewijs tegen de dwingende bewijskracht van de akte van levering. Een dergelijk aanbod hoeft niet te worden gespecificeerd. Het oordeel dat geen bewijs is aangeboden van feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden, is volgens [eiser] c.s. rechtens onjuist omdat het ten onrechte om een nadere specificatie vraagt, of een verboden prognose inhoudt nu het hof thans reeds oordeelt dat hetgeen wordt aangeboden te bewijzen niet tot een ander oordeel zal kunnen leiden. In ieder geval is het oordeel van het hof zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
uitleg van de aktewaarbij De Horn B.V. aan [eiser] c.s. een parkeerplaats heeft geleverd, de bedoeling van partijen bij de obligatoire overeenkomst niet van belang zou hebben geacht, falen. Niettemin concludeer ik tot vernietiging omdat [eiser] c.s. met succes klagen dat het hof ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of de inhoud van de akte afweek van hetgeen partijen met betrekking tot de verschuldigdheid van de parkbijdrage in de aan de akte ten grondslag liggende
obligatoire overeenkomstzijn overeengekomen, of dat wat partijen zijn overeengekomen aan Lecc c.s. kan worden tegengeworpen en of dat aan toewijzing van de vorderingen van Lecc c.s. in de weg staat. Daarnaast had het hof moeten begrijpen dat de eigenaren zich in feitelijke aanleg op het standpunt hebben gesteld dat het onder de naar voren gebrachte omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Lecc c.s. nakoming vorderen van
beidekettingbedingen. Dat verweer heeft het hof ten onrechte onbehandeld gelaten.