Conclusie
1.Feiten en procesverloop
- i) [de man] , geboren op [geboortedatum] 1921 (hierna: de man) en [de vrouw] , geboren op [geboortedatum] 1937 (hierna: de vrouw) zijn op 1 oktober 2012 gehuwd in gemeenschap van goederen.
- ii) Zij hebben voorafgaand aan hun huwelijk 23 jaar een affectieve relatie gehad.
- iii) Uit de relatie en het huwelijk van partijen zijn geen kinderen geboren. Beide partijen hebben meerderjarige kinderen uit eerdere huwelijken.
De verkrijging onder uitsluitingsclausule
Grief 4van de vrouw in incidenteel appel strekt tot betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen en beslist dat de vrouw aan de man moet betalen een bedrag van € 27.125,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 november 2013.
2.Formele procespartijen
3.Beoordeling van het cassatieberoep
‘Tenslotte bepaal ik dat al hetgeen mijn kinderen eventueel uit mijn nalatenschap zullen erven niet zal vallen in enige gemeenschap van goederen waarin zij ten tijde van mijn overlijden mochten zijn gehuwd (…)’.
ten eersteover dat het hof de leer van de ruime uitleg van de grieven heeft miskend zoals die door Uw Raad is verwoord, [8] en welke leer volgens het middel inhoudt dat een grief niet met zoveel woorden behoeft te worden aangeduid mits duidelijk is dat de appellant bezwaren heeft en wat die bezwaren inhouden.
Ten tweedevoert het subonderdeel aan dat zulks onbegrijpelijk is nu de vrouw dit subsidiaire deel van grief 4 in niet voor misverstand vatbare bewoordingen ter tafel heeft gebracht en de man [9] op hetgeen hiervoor bij subonderdeel I.1 onder (i) en (ii) is weergegeven, ook uitdrukkelijk heeft gerespondeerd. Daarmee heeft de man dit subsidiaire deel van grief 4 integraal als onderdeel van het rechtsdebat tussen partijen aanvaard.
“ (…) Grief 4 van de vrouw faalt”), heeft verworpen, dan is dat in het licht van de stellingen van de vrouw ontoereikend gemotiveerd. Indien het hof het subsidiaire deel van grief 4 van de vrouw niet in het incidenteel appel heeft gelezen, dan is dat gezien de bewoordingen ervan (hiervoor onder 3.5 weergegeven) en de reactie daarop van de man in zijn verweerschrift in het incidenteel appel (hiervoor onder 3.7 weergegeven) onjuist (vgl. HR 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ3242, NJ 2004/76) dan wel ontoereikend gemotiveerd.