Conclusie
mishandeling, terwijl het misdrijf zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een maand voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen voor een bedrag van € 1.604,- in combinatie met de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr te vervangen door 26 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 60 uren te vervangen door 30 dagen hechtenis.
middelbehelst de klacht dat de verwerping van het beroep op noodweer c.q. noodweerexces onvoldoende is gemotiveerd, dan wel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
hij op 10 januari 2015 te Rotterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door [slachtoffer] in het gezicht te stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een (op 2 plaatsen) gebroken kaak ten gevolge heeft gehad.”
Er is sprake van noodweer danwel noodweerexces.
Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep komt het hof - evenals de rechtbank - tot het oordeel dat aannemelijk is geworden dat de verdachte zich in een noodweersituatie bevond. De aangever is de confrontatie met de verdachte aangegaan door de verdachte bij zijn kraag te grijpen. De verdachte werd aldus blootgesteld aan een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen hij zich mocht verdedigen. Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte zich op dat moment daaraan kon onttrekken door bijvoorbeeld weg te lopen.
een ‘shock’/duw in zijn gezicht kreeg, en bij zijn kraag werd vastgegrepen”.
De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
nu de aangever de verdachte slechts bij zijn kraag had beetgepakt en ongewapend was.” In cassatie wordt aangevoerd dat het hof in het midden heeft gelaten of het voldoende aannemelijk is geworden dat [slachtoffer] de verdachte een “
shock/duw” in het gezicht heeft gegeven. Met de overweging dat “
de aangever de verdachte slechts bij zijn kraag had beetgepakt” heeft het hof echter tevens en met zoveel woorden te kennen gegeven dat niet aannemelijk is geworden dat [slachtoffer] de verdachte een “
‘shock/duw’ in zijn gezicht” had gegeven. Overigens wordt met een “
shock/duw” kennelijk gedoeld op het met een platte hand wegduwen van het gezicht. Daarop wijst de verklaring die de verdachte ter terechtzitting van het hof heeft afgelegd, en zijn verklaring tegenover de politie dat de man die hij had geslagen “
mij bij mijn kraag vastpakte met zijn linkerhand en mij in mijn gezicht wegduwde met zijn platte rechterhand.” [1]
een zeer harde stomp” moet zijn geweest – disproportioneel in verhouding tot het bij de kraag pakken en duwen door [slachtoffer].
niets[heeft]
vastgesteld over pogingen van ter plaatse aanwezige vrienden van rekwirant om hem te hulp te schieten” terwijl onduidelijk is waarom “
de aanwezigheid van die vrienden aanleiding zou moeten zijn om een ander, minder vergaand verdedigingsmiddel te kiezen”.
niet aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding”.
dat hij niet in staat was de gevolgen van zijn handelen te overzien”. Het gaat dan om de verklaring van de verdachte “
dat hij een week eerder had gezien dat de aangever iemand met een mes achterna had gezeten en dat de aangever erom bekend staat dat hij erg sterk is” zoals het hof dit heeft weergegeven bij de bespreking van het beroep op noodweerexces.
niet in staat was de gevolgen van zijn handelen te overzien” – kan in het midden blijven. Het hof overwoog daaropvolgend namelijk eveneens dat uit verdachtes aangehaalde verklaring ook niet zonder meer kan worden afgeleid “
dat anderszins sprake was van een hevige gemoedsbeweging”, zonder de in het middel gewraakte aanvullende overweging.
een beetje bang en gespannen” was terwijl [slachtoffer] erom bekend staat dat hij “
erg sterk” is en een week eerder een ander met een mes achterna heeft gezeten, acht ik het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.