Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
12 december 2017.
Hoge Raad
Op 10 januari 2015 mishandelde verdachte het slachtoffer door hem een zeer harde stomp in het gezicht te geven, wat resulteerde in een dubbele kaakbreuk. Het hof stelde vast dat verdachte zich in een noodweersituatie bevond omdat het slachtoffer hem bij de kraag greep, maar oordeelde dat het geweld disproportioneel was gezien de ernst van de aanranding en de situatie.
Het hof verwierp tevens het beroep op noodweerexces, omdat niet aannemelijk was dat het handelen van verdachte het onmiddellijke gevolg was van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de aanranding. Verdachte verklaarde dat hij uit reflex handelde en dat hij bang en gespannen was, maar dit was onvoldoende om noodweerexces aan te nemen.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep van verdachte. Het hof had terecht geoordeeld dat het geweld niet in redelijke verhouding stond tot het gevaar en dat het beroep op noodweerexces niet slaagde. De Hoge Raad vond de motivering en feitenvaststelling niet onbegrijpelijk.
Uitkomst: Het beroep op noodweer en noodweerexces wordt verworpen; verdachte wordt veroordeeld voor mishandeling met zware kaakbreuk.