Conclusie
“(o)p 01 september 2012 (…) geen onherroepelijke wijziging van het bestemmingsplan heeft kunnen realiseren voor de bouw van één vrijstaand landhuis.”In cassatie staat vast dat met
“landhuis”een landhuis in bestemmingsplan-technische zin is bedoeld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of [eiser] de ontbindende voorwaarde heeft mogen inroepen op de grond dat de gemeente hem had bericht dat een bestemming “landhuis” niet op het betrokken perceel zal worden geprojecteerd.
1.Feiten
bouwterrein voor 1 vrijstaande woning, zie artikel 19.(...)”
koper en/of verkoperworden ontbonden indien uiterlijk: (...)
Op 01 september 2012 koper geen onherroepelijke wijziging van het bestemmingsplan heeft kunnen realiseren voor de bouw van één vrijstaand landhuis.”
Koper zal uiterlijk 01 december 2011 een verzoek indienen bij de gemeente Heerde om het bestemmingsplan te wijzigen om de bouw van één vrijstaande woning mogelijk te maken.(...)”
2.Procesverloop
“landhuis”gebruikt, maar dit was zonder betekenis aangezien dat woord niet was gedefinieerd in de overeenkomst en bovendien een grote vrijstaande woning in de praktijk al gauw een landhuis wordt genoemd. Wat betreft de uitleg van de overeenkomst is de tekst van art. 19 doorslaggevend Pro. Verder hebben [verweerder] c.s. gesteld dat zij geen kennis hebben kunnen nemen van het bouwplan dat [eiser] bij de gemeente heeft ingediend en dat in de aanvraag het woord
“landhuis”niet voorkomt [3] . [eiser] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
“één vrijstaand landhuis”in art. 16.1.d van de koopovereenkomst betekenen: een landhuis in de zin van het plaatselijke bestemmingsplan. In voornoemd tussenarrest, waarbij iedere verdere beslissing is aangehouden, heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:
“De gemeente had ook moeite met de nieuwe tekeningen, zij wilde andere dingen. Zo moest de woning een kwart slag draaien. (...) Mijn vrouw en ik hebben ons toen beraden en wij hebben besloten van nieuwbouwplannen af te zien.”[verweerder] c.s. stellen - onder verwijzing naar een bij hun laatste processtuk overgelegde verklaring van de gemeenteambtenaar [betrokkene 4] - dat [eiser] daarop de aanvraag heeft ingetrokken. [eiser] geeft aan dat hij de gemeente heeft laten weten dat hij de overeenkomst zou ontbinden. Wat daarvan ook zij, vast staat dat [eiser] de kwestie heeft laten rusten en geen verdere actie (bijvoorbeeld door het indienen van een nader, gewijzigd plan) heeft ondernomen, hetgeen een omstandigheid is die voor zijn rekening en risico komt.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
“Het voorgaande betekent dat het hof tot uitgangspunt diende te nemen dat een landhuis een woning met een bouwoppervlak van 200 tot 400 m2 is en dat [eiser] via de aanvraag tot een omgevingsvergunning een woning met een dergelijk bouwoppervlak kon realiseren zonder dat daarvoor een bestemmingswijziging naar ‘landhuis’ nodig was.”) en onder 35
(“Zij zien voorts eraan voorbij dat na het tussenarrest is komen vast te staan dat op de kavel een landhuis kon worden gerealiseerd en dat daarvoor de ‘bestemming landhuis’ niet noodzakelijk was (…)”). [eiser] is daarentegen in cassatie van de laatstbedoelde mogelijkheid (hoe dan ook een herbestemming als “landhuis”) uitgegaan; dat leid ik af uit zijn klachten, waaraan onder meer de veronderstelling ten grondslag ligt dat het hof hem heeft verweten na een aanpassing van zijn plannen niet alsnog een bestemmingsplanwijziging, gericht op een herbestemming van het betrokken perceel als “landhuis”, te hebben nagestreefd. De stukken bieden, zoals gezegd, geen uitsluitsel, waarbij ik in het bijzonder de e-mail van [betrokkene 3] van 8 februari 2012 (productie 3 bij de conclusie van antwoord) voor tweeërlei uitleg vatbaar acht. Voor de opvatting van [verweerder] c.s. pleit dat blijkens die e-mail met zoveel woorden het door [eiser] gewenste
landhuisop de betrokken kavel niet acceptabel wordt geacht, maar wel een vrijstaande
woning, passend in de omgeving, en dat de projectie van de bestemming “landhuis” op de betrokken kavel daarin definitief van de hand lijkt te worden gewezen. Voor de opvatting van [eiser] pleit dat die e-mail ook aldus zou kunnen worden uitgelegd, dat slechts het concrete bouwplan van [eiser] onaanvaardbaar werd geacht en dat de gemeente alleen om die reden (en slechts voor dat moment) voor een herbestemming van het betrokken perceel als “landhuis” geen aanleiding zag. Ook de getuigenverklaring van [betrokkene 3] van 19 februari 2015 biedt mijns inziens geen uitsluitsel, al was het maar omdat [betrokkene 3] zich daarin niet expliciet over de wél bestaande bebouwingsmogelijkheden (laat staan over de bestemming die daartoe aan het betrokken perceel zou moeten worden gegeven) heeft uitgelaten; [betrokkene 3] heeft niet meer verklaard dan dat het bouwplan van [eiser] qua omvang en inhoud
“verdedigbaar”was, maar dat de sfeer en uitstraling van het door [eiser] gewenste landhuis niet wenselijk was en dat hij, [betrokkene 3] , niet dacht dat het plan van [eiser] met enige aanpassingen wél haalbaar zou zijn geweest.
Subonderdeel 1.2klaagt dat het bestreden oordeel een ontoelaatbare verrassingsbeslissing vormt, omdat het partijdebat zich na de bewijsopdracht heeft toegespitst op de waardering van de getuigenverklaringen, die, conform de bewijsopdracht, op de uitleg van het begrip “landhuis” in de ontbindende voorwaarde betrekking hadden.
Subonderdeel 1.3betoogt dat het hof, in het licht van de eisen van hoor en wederhoor, [eiser] in ieder geval nog in de gelegenheid had moeten stellen te reageren op de hypothese dat hij door nadere inspanningen nog
“uiterlijk op 1 september 2012”- de in de ontbindende voorwaarde genoemde termijn - een
“onherroepelijke”wijziging van het bestemmingsplan had kunnen realiseren. Dit geldt volgens het subonderdeel te meer nu [eiser] heeft gesteld dat hij de termijn niet meer had kunnen halen [9] en uit rov. 3.9 volgt dat [verweerder] c.s. hun andersluidende stelling onvoldoende hebben toegelicht.
“(o)p 01 september 2012 koper geen onherroepelijke wijziging van het bestemmingsplan heeft kunnen realiseren voor de bouw van één vrijstaand landhuis”, beslissend te hebben geacht of partijen met de term
“landhuis”(zoals [verweerder] c.s. hebben verdedigd; zie rov. 3.2 van het tussenarrest van 4 november 2014) slechts een grote vrijstaande woning, dan wel (zoals [eiser] heeft verdedigd; zie rov. 3.6 van het tussenarrest van 4 november 2014) een landhuis in de zin van de in de gemeente geldende bestemmingsplannen heeft bedoeld (zie de rov. 3.11-3.12 van het tussenarrest van 4 november 2014). Het hof heeft [eiser] tot het bewijs van dit laatste toegelaten en hem bij eindarrest (in cassatie onbestreden) in dat bewijs geslaagd geoordeeld.
“voor de bouw van één vrijstaand landhuis”. Nu, zoals het hof (in cassatie onbestreden) bewezen heeft geacht, de ontbindende voorwaarde aldus moet worden uitgelegd dat daarin met
“landhuis”een landhuis in bestemmingsplan-technische zin is bedoeld, kan naar mijn mening niet anders worden geconcludeerd dan dat de ontbindende voorwaarde, die met zoveel woorden op een wijziging van het bestemmingsplan betrekking had, zou zijn vervuld, indien aan het betrokken perceel op 1 september 2012 niet onherroepelijk de nieuwe bestemming “landhuis” zou zijn toegekend. Daaraan doet naar mijn mening niet af dat hetgeen [eiser] voor ogen stond, (misschien) ook onder een andere dan de door hem gestipuleerde bestemming van “landhuis” had kunnen worden gerealiseerd. Hooguit zou dat ertoe kunnen leiden dat [eiser] misbruik van bevoegdheid (art. 3:13 BW Pro) zou kunnen worden verweten of dat het beroep van [eiser] op de ontbindende voorwaarde naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 6:248 BW Pro). Dat is echter niet wat [verweerder] c.s. aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd en wat het hof heeft beslist.
vaststaandheeft aangenomen dat het [eiser]
uitsluitenderom ging een woning tussen de 200 m2 en 400 m2 te realiseren (
“Vast staat dat de reden die noopte tot de aanvraag van een bestemming ‘landhuis’ uitsluitend was gelegen (…)”), terwijl [eiser] tegen het oordeel van de rechtbank, die zijn veronderstelde wensen eveneens tot een woning tussen de 200 m2 en 400 m2 had gereduceerd, nu juist uitdrukkelijk had gegriefd, welke grief het hof niet, althans niet voldoende kenbaar, heeft behandeld.
“indien de bestemmingsplanwijziging zou worden aangevraagd (al of niet door het aanvragen van een bouwvergunning)”. Wat het hof hier met
“de”bestemmingsplanwijziging heeft bedoeld, is in verband met de hiervóór (onder 3.2) bedoelde onduidelijkheid niet geheel zeker. In de door mij gevolgde opvatting heeft het hof daarmee niet een herbestemming van het betrokken perceel tot “landhuis” (zoals in de rov. 3.8-3.9 van het tussenarrest van 4 november 2014 aan de orde was) bedoeld, maar een wijziging van de bestemming van het betrokken perceel van “agrarisch” in “wonen”, welke bestemming in de veronderstelde gedachtegang van het hof een huis van de door [eiser] gewenste afmetingen, mits passend in de omgeving, toeliet. Bij de bespreking van de klachten van de subonderdelen 1.1-1.3 zal ik echter tevens de mogelijkheid onder ogen zien dat het hof met
“de bestemmingsplanwijziging”een herbestemming van het betrokken perceel als “landhuis” heeft bedoeld.
nietis teruggekomen van zijn beslissing in de rov. 3.8 en 3.9 van het tussenarrest van 4 november 2014. De rov. 3.8-3.9 van het tussenarrest van 4 november 2014 betroffen een wijziging van de bestemming van het betrokken perceel in
“landhuis”, terwijl (althans in de door mij gevolgde opvatting) het hof in rov. 2.11 van het eindarrest kennelijk een wijziging van de bestemming in
“wonen”op het oog had. Daarbij komt dat het oordeel van het hof in het tussenarrest van 4 november 2014 omtrent de termijn waarbinnen een wijziging van de bestemming in “landhuis” had kunnen worden gerealiseerd, samenhing met de weerstand waarop juist die bestemming bij de gemeente stuitte en die zich, naar uit de stukken kan worden afgeleid, met betrekking tot een eventuele wijziging van de bestemming in “wonen” niet voordeed. Het subonderdeel kan daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag niet slagen.
verderebeslissing aangehouden, waaronder
“de beslissing op het verweer van [verweerder] c.s. dat [eiser] geen aanvraag heeft ingediend tot wijziging van de bestemming in “landhuis”, maar slechts heeft verzocht om de bestemming woonhuis”. Naar mijn mening is evident dat het hof in rov. 3.13 een ander verweer van [verweerder] c.s. heeft bedoeld dan het in de rov. 3.8-3.9 reeds verworpen verweer, dat geen
“verdere”beslissing behoefde. Ik begrijp de rov. 3.8-3.9 aldus dat zij zien op een mogelijke nalatigheid van Weerda om, na de gebleken weerstand van de gemeente tegen de bestemming “landhuis”, alsnog te trachten die bestemming tijdig gerealiseerd te krijgen, terwijl het in rov. 3.13 bedoelde verweer kennelijk in de sleutel staat van de ook aan de bewijsopdracht ten grondslag liggende onzekerheid over de betekenis van de in de ontbindende voorwaarde (al dan niet in bestemmingsplan-technische zin) gehanteerde term “landhuis”, en wel aldus, dat, als [eiser] niet de bestemming “landhuis” maar de bestemming “woonhuis” zou hebben aangevraagd, dat een aanwijzing zou kunnen zijn dat de term “landhuis” in de ontbindende voorwaarde
nietin bestemmingsplan-technische zin is bedoeld. Dat aldus opgevatte verweer doet niet af aan de eindbeslissing in de rov. 3.8-3.9 dat het in elk geval niet mogelijk was de bestemming “landhuis” alsnog tijdig te realiseren.
“landhuis”in bestemmingsplan-technische zin hebben bedoeld, het hof niettemin zou oordelen dat de ontbindende voorwaarde niet reeds was vervuld met de weigering van de gemeente het perceel tot “landhuis” te herbestemmen.
“hypothese”van het hof dat, na de gebleken weerstand van de gemeente tegen een wijziging van de bestemming in “landhuis”, de hoe dan ook noodzakelijke wijziging van de op het betrokken perceel rustende bestemming “agrarisch” tijdig binnen de in de ontbindende voorwaarde gestelde termijn (uiterlijk op 1 september 2012) had kunnen worden gerealiseerd. Volgens het subonderdeel had het hof, in het licht van de eisen van hoor en wederhoor, [eiser] in de gelegenheid moeten stellen op die hypothese te reageren, nu [eiser] heeft gesteld dat een onherroepelijke wijziging van het bestemmingsplan niet uiterlijk op 1 september 2012 had kunnen worden gerealiseerd (pleitnota zijdens [eiser] in hoger beroep onder
“Ad 4”) en [verweerder] c.s. blijkens rov. 3.9 van het tussenarrest van 4 november 2014 onvoldoende gemotiveerd hebben gesteld dat dit anders zou zijn.
“Ad 4”:
“Overigens wijst [eiser] erop dat ook al zou de gemeente wel hebben meegewerkt aan bestemmingsplanwijziging dat nooit meer binnen het in de ontbindende voorwaarde aangegeven tijdvak (uiterlijk 1 september 2012) zou zijn gelukt.”). Hetgeen [eiser] heeft aangevoerd, had voor het hof wél aanleiding moeten zijn zich rekenschap ervan te geven of, hetgeen het hof kennelijk heeft voorondersteld, een wijziging van de bestemming van het betrokken perceel in “wonen” tijdig binnen de in de ontbindende voorwaarde gestelde termijn (onherroepelijk) had kunnen worden gerealiseerd. Nu het hof zulks heeft nagelaten, is zijn oordeel in het licht van de betrokken stellingen van [eiser] niet naar behoren gemotiveerd. Voor zover het subonderdeel mede een daarop gerichte klacht omvat, acht ik het gegrond.
“landhuis”in art. 16.1.d van de koopovereenkomst niet een “grote vrijstaande woning” is bedoeld, maar dat het de vraag is of is bedoeld een landhuis in de zin van het ter plaatse geldende bestemmingsplan (buiten de bebouwde kom) - hetgeen inderdaad zo is; [eiser] heeft dit laatste blijkens rov. 2.10 van het eindarrest immers bewezen.
“landhuis”in de ontbindende voorwaarde het begrip “landhuis” in de zin van de bestemmingsplannen van de gemeente bedoelden. Daarvan is het hof in zijn eindarrest, waarbij [eiser] in het hem opgedragen bewijs geslaagd werd geoordeeld, niet teruggekomen. Wel heeft het hof, wat daarvan overigens zij, aangenomen dat het gebruik van de term “landhuis” in vorenbedoelde zin slechts door de voor een dergelijk landhuis toegelaten afmetingen, te weten tussen 200 m2 en 400 m2, was ingegeven.
uitsluitendin de omvang en de inhoud van de gewenste woning was gelegen en dat dit voor alle partijen duidelijk was, onbegrijpelijk is in het licht van het partijdebat.
uitsluitendwas ingegeven door de wensen van [eiser] met betrekking tot de omvang en de inhoud van de woning (zie ook rov. 2.11, zesde zin:
“Daarmee staat vast dat de wensen van [eiser] wat betreft omvang en inhoud van de woning, die de enige reden waren voor de aanvraag van de bestemming landhuis, op zichzelf konden worden gehonoreerd (…).”), laat staan dat zulks (zoals in de eerste en de zesde zin van rov. 2.11 wordt overwogen) zou
“vaststaan”. Ook de verklaring van [betrokkene 3] wijst niet erop dat de wensen van [eiser] tot een bepaalde omvang en inhoud van de te bouwen woning waren beperkt; zo heeft [betrokkene 3] verklaard:
“Ongeveer medio 2011 heeft [eiser] contact gezocht met de gemeente Heerde vanwege zijn plannen om op het betrokken kavel te bouwen. Hij kwam bij me met de vraag of hij een landhuis kon bouwen volgens het bestemmingsplan buitengebied.”Ten slotte hebben ook [verweerder] c.s. onderkend dat [eiser] een allure nastreefde die gewone grote huizen te boven gaat; zie de memorie van antwoord onder 31, waarnaar het subonderdeel (in voetnoot 6) mede verwijst.
“voor alle partijen duidelijk was of moet zijn geweest dat als onder “landhuis” in art. 16.1.d van de koopovereenkomst niet (enkel) moet worden verstaan een ‘grote vrijstaande woning’ (vgl. tussenarrest rov. 3.12), er (ook) niet is bedoeld een ‘landhuis’ in de zin van het plaatselijke bestemmingsplan (buiten de bebouwde kom) behalve indien en voor zover het (hoofd)gebouw een inhoud en omvang van minimaal 200 m2 en maximaal 400 m2 zou hebben.”
nietgeoordeeld dat met het begrip “landhuis” (ook) niet een “landhuis” in de zin van de in de gemeente geldende bestemmingsplannen is bedoeld, behalve indien en voor zover het (hoofd)gebouw een inhoud en omvang van minimaal 200 m2 en maximaal 400 m2 zou hebben. Of een dergelijk oordeel voldoende steun zou hebben gevonden in de stellingen van [verweerder] c.s., doet dan ook niet ter zake. Anders dan het subonderdeel veronderstelt, heeft het hof, [eiser] in zijn bewijsopdracht geslaagd oordelend, mijns inziens wel degelijk aanvaard dat met de term
“landhuis”in de ontbindende voorwaarde een “landhuis” in de zin van de in de gemeente geldende bestemmingsplannen is bedoeld. Vervolgens is het hof (naar mijn mening echter op ondeugdelijke gronden) tot de conclusie gekomen dat (zou vaststaan dat) [eiser] met de door hem verlangde verwijzing in de ontbindende voorwaarde naar het begrip “landhuis” in bestemmingsplan-technische zin niet méér op het oog zou hebben gehad dan de voor een dergelijk landhuis toegelaten omvang tussen 200 m2 en 400 m2.
“verdedigbaar”, maar door sfeer en uitstraling niet acceptabel. Dat betekent niet dat de sfeer en uitstraling van de geplande woning losstonden van de omvang en inhoud daarvan. De verklaring van [betrokkene 3] wijst juist op het tegendeel: het bouwplan kon de stedenbouwkundige toets niet doorstaan omdat het
“te pompeus”was, in welk verband de bouwmassa ongetwijfeld een belangrijke rol speelde. Dat bezwaar liet zich volgens [betrokkene 3] ook niet met enkele eenvoudige aanpassingen wegnemen: hij heeft verklaard:
“(…) U vraagt mij of het plan van [eiser] met enige aanpassingen wel haalbaar was geweest. Nee dat denk ik niet. Wat [eiser] wilde was een symmetrisch huis evenwijdig aan de weg. In het stedenbouwkundig advies van CZT ging het om een haaks op de weg staande woning. (...)”. Kennelijk wilde de gemeente ter plaatse geen landhuis en ook geen woning met de uitstraling van een landhuis, óók niet als de geplande omvang en inhoud daarvan
“verdedigbaar”waren. Ook de eisen met betrekking tot de situering van de woning wijzen daarop. De gebruikelijke situering van een landhuis, met zijn frontzijde gekeerd naar de entree en in dit geval dus evenwijdig aan de weg, was niet acceptabel, omdat zij niet zou passen bij
“het intiem (kleinschalige) karakter van de [a-straat] ”en het
“kleinschalige van de [a-straat] ”dat bij een haakse plaatsing van het hoofdgebouw op de weg zoveel mogelijk behouden zou blijven [12] . Dat een dergelijke plaatsing voor [eiser] , die juist wél (de uitstraling van) een landhuis wenste, niet aanvaardbaar was, lag voor de hand; een landhuis pleegt niet te worden gebouwd met de symmetrische frontzijde gericht naar één van de zijgrenzen met de buren.
“wonen”bood, is überhaupt irrelevant, nu [eiser] had geïnsisteerd op een ontbindende voorwaarde die niet anders kan worden uitgelegd dan dat zij van een herbestemming van het betrokken perceel, specifiek als
“landhuis”in bestemmingsplan-technische zin, afhankelijk was.
“nog steeds mogelijk”was een landhuis te realiseren op het betreffende perceel als hij zijn oorspronkelijke plannen
“op die punten”- sfeer, uitstraling en situering van de woning - zou herzien, onbegrijpelijk is. Volgens het subonderdeel was ook volgens het hof voor alle partijen duidelijk dat [eiser] de kavel had gekocht om daarop een landhuis in de zin van het plaatselijke bestemmingsplaan (buiten de bebouwde kom) te realiseren. Bij die stand van zaken mocht volgens het subonderdeel niet van hem worden verwacht dat hij juist op de aspecten (sfeer, uitstraling en situering) die de uitstraling van een landhuis bepalen, zijn plannen nog verder zou aanpassen; juist om dat laatste te voorkomen had hij geïnsisteerd op de mogelijkheid van ontbinding voor het geval dat het perceel niet voor de bouw van een landhuis in bestemmingsplan-technische zin zou worden herbestemd.
“verdedigbaar”, maar was de gewenste woning stedenbouwkundig te
“pompeus”en kon dat niet met enige aanpassingen worden ondervangen. Het oordeel dat (uit de verklaring van [betrokkene 3] blijkt dat)
“voor [eiser] derhalve nog steeds mogelijk (was) om een landhuis (een woning met de door hem gewenste omvang en inhoud (tussen 200 m2 en 400 m2)) te realiseren op het desbetreffende perceel”, vindt daarom onvoldoende steun in de verklaring van [betrokkene 3] en is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onvoldoende begrijpelijk.
“deze wijziging ondanks die weerstand binnen de in de ontbindende voorwaarde aangegeven periode alsnog had kunnen worden verkregen.”Zou het hof echter het oog hebben gehad in een wijziging van de bestemming in “wonen”, dan speelt de door het hof bedoelde weerstand tegen de bestemming “landhuis” weliswaar geen rol, maar daartegenover staat dat [eiser] zich in algemene zin, ook voor het geval dat de gemeente wél zou hebben meegewerkt, op het standpunt heeft gesteld dat de gemeente een bestemmingsplanwijziging nooit tijdig had kunnen realiseren (pleitnota zijdens [eiser] in hoger beroep onder
“Ad 4”, waarnaar in voetnoot 11 bij het subonderdeel wordt verwezen:
“Overigens wijst [eiser] erop dat ook al zou de gemeente wel hebben meegewerkt aan bestemmingsplanwijziging dat nooit meer binnen het in de ontbindende voorwaarde aangegeven tijdvak (uiterlijk 1 september 2012) zou zijn gelukt.”). Zoals hiervóór (onder 3.7) reeds aan de orde kwam, had hetgeen [eiser] heeft aangevoerd, voor het hof minst genomen aanleiding moeten zijn zich rekenschap ervan te geven of een wijziging van de bestemming van het betrokken perceel in “wonen” wél tijdig binnen de in de ontbindende voorwaarde gestelde termijn (onherroepelijk) had kunnen worden gerealiseerd. Nu het hof zulks heeft nagelaten, is zijn oordeel in het licht van de betrokken stellingen van [eiser] niet naar behoren gemotiveerd. Voor zover het subonderdeel mede een daarop gerichte klacht omvat, acht ik het gegrond.
“oorspronkelijke plannen”van [eiser] (vierde en zevende zin), kennelijk ten onrechte ervan uitgegaan dat [eiser] de ontbindende voorwaarde heeft ingeroepen zonder enige poging te hebben ondernomen zijn plannen voor de gemeente aanvaardbaar te maken. Zo heeft [betrokkene 3] als getuige verklaard dat hij voor de indiening van het
uiteindelijkeplan de bouwplannen met [eiser] heeft doorgenomen;
“waar nodig zijn die (plannen) aangepast”, aldus [betrokkene 3] .