Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.De bespreking van het cassatiemiddel
NJ2013/365). [5]
NJ1988/912). In het geval als hier aan de orde, dient (het bestuur van) de rechtspersoon dan ook de weg van art. 2:19 BW Pro te bewandelen. [6]
NJ2001/249). Ten tijde van de behandeling van het verzet dient de uitkomst van dat onderzoek derhalve beschikbaar te zijn. [7]
op eigen aangifteis uitgesproken: “In dit verband is van belang dat (het bestuur van) de rechtspersoon, anders dan schuldeisers, in art. 2:19 BW Pro een alternatieve weg ten dienste staat om, al dan niet na vereffening van het vermogen, de beëindiging van het bestaan van de rechtspersoon te bewerkstelligen.”
pro sein verzet kan komen, indien vaststaat dat het faillissement geen enkel positief resultaat zal opleveren, de curator zijn kosten niet vergoed zal zien, en de rechtspersoon een alternatieve, voor de curator niet belastende, weg had kunnen bewandelen om een einde te maken aan het bestaan van de rechtspersoon. In deze situatie is sprake van misbruik van bevoegdheid (het eigen faillissement aan te vragen) in de zin van art. 3:13 BW Pro. [8]
op verzoek van een schuldeiser(in casu: het Pensioenfonds), de aangestelde curator in de eerste plaats, althans mede in zijn hoedanigheid van curator, dat wil zeggen ‘q.q.’, als belanghebbende in de zin van art. 10 lid 1 Fw Pro dient te worden aangemerkt. Dit zou voor de curator het gunstige gevolg hebben dat een eventuele proceskostenveroordeling bij ongegrondbevinding van het verzet, niet (extra) in zijn privévermogen wordt geraakt. De proceskosten zouden dan voor rekening van de boedel komen.
pro sein de proceskosten kan worden veroordeeld, terwijl zijn verzet louter is ingegeven door het feit dat hij (ongevraagd) als curator in een faillissement is benoemd – welke benoeming hij niet kan aanvechten – en hij zijn taak tot beheer en vereffening van het vermogen ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers (art. 68 Fw Pro) niet kan uitoefenen omdat er geen vermogen is of kan worden gegenereerd. De curator pro se ontvangt voor zijn werkzaamheden al geen vergoeding en zal in het geval hij slechts pro se als belanghebbende als bedoeld in art. 10 lid 1 Fw Pro wordt aangemerkt ook nog het risico lopen dat hij persoonlijk voor de proceskosten moet opdraaien wanneer hij – op redelijke gronden, maar zonder succes – verzet instelt.
NJ2008/221 (A. /Advocatenkantoor Van Dijk), maar in verzoekschriftprocedures is het uitspreken van een proceskostenveroordeling uitzonderlijk, zelfs als de procedure een contentieus karakter heeft. Als toch een proceskostenveroordeling wordt uitgesproken, komt daarin een zeker verwijt aan de verliezende partij tot uitdrukking. Die verwijtbaarheid is hier geheel afwezig. Hoewel het in beginsel is overgelaten aan het inzicht van de rechter die over de feiten oordeelt of hij aanleiding ziet voor een proceskostenveroordeling, behoeft dit uitgangspunt in een geval als het onderhavige uitzondering, omdat een proceskostenveroordeling niet gerechtvaardigd is. Het onderdeel verwijst hierbij naar Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/139.
op verzoek van een schuldeiser, ruimte bestaat voor gegrondverklaring van een door de curator ex art. 10 lid 1 Fw Pro ingesteld verzet op de grond dat uit voldoende grondig onderzoek van de curator is gebleken dat sprake is van, een lege boedel en dat daarvoor niet vereist is dat (i) de aanvrager van het faillissement misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt, noch dat (ii) voor hem een redelijk alternatief voor de faillissementsaanvraag beschikbaar was. Het hof zou dit hebben miskend. ’s Hofs oordeel is althans, zo vervolgt het onderdeel, onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof heeft verzuimd te oordelen over het subsidiaire beroep van Boersen. Om precies te zijn klaagt het onderdeel dat het hof niet heeft geoordeeld over het door Boersen subsidiair ingenomen standpunt dat inhoudt dat, ongeacht of het Pensioenfonds misbruik van recht kan worden aangewreven en ongeacht of haar een alternatief voor de faillissementsaanvraag ten dienste stond, het faillissement dient te worden vernietigd, nu gebleken is dat sprake is van een lege boedel. Het onderdeel verwijst hierbij naar ingenomen stellingen in de gedingstukken.
pro seberoep kan doen op art. 10 lid 1 Fw Pro, maar dat dit beroep slechts zal slagen indien sprake is van misbruik van bevoegdheid het faillissement aan te vragen. In het Hoeksma q.q./Trade-arrest was sprake van misbruik van bevoegdheid omdat de betreffende curator door de faillissementsaanvraag aan het werk werd gezet zonder uitzicht te hebben op vergoeding van zijn kosten, terwijl het, nu het om een faillietverklaringsverzoek op eigen aangifte ging, ook anders had gekund, namelijk langs de weg van art. 2:19 BW Pro.
JOR2013/183, rov. 7 en 8.