Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primair€ 93.135,61 (= € 60.319,35 + € 32.816,26),
subsidiair€ 32.816,26, vermeerderd met rente en kosten.
De vordering tot betaling van € 60.319,35
Facturen 2009 RSPD
€ 53.650,58 erkend, zij het dat zij zich ter zake op opschorting en verrekening beroept.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
ofde rechtbank de erkenning door STAK als verwoord in haar conclusie van antwoord:
erkenning van de borgstellingvoor de vorderingen van AB op LabelBoxx voor een bedrag van € 53.650,58. Het hof heeft die vraag mede aan de hand van het ‘onmiskenbaar duidelijke betoog’ van STAK dat de borgstelling niet ziet op de vorderingen van AB op Label Boxx in 2010/2011 – waarmee het hof kennelijk doelt op de stelling zijdens STAK ter comparitiezitting dat de borgstelling uitsluitend betrekking had op de (inmiddels betaalde) vordering betreffende de Hongkong-partij [8] – ontkennend beantwoord. Bij gebreke van een gerechtelijke erkentenis (art. 154 lid 1 Rv Pro) op dit punt kwam de vraag naar de mogelijkheid van herroeping (art. 154 lid 2 Rv Pro) niet aan de orde.
onderdeel Ibbuiten de grenzen van de rechtsstrijd, nu STAK zich ter onderbouwing van haar tweede grief er niet op heeft beroepen de vordering van € 60.319,35 (en hiermee de reikwijdte van de borgtocht in zoverre) onmiskenbaar duidelijk te bestrijden (terwijl het hof zulks wel aan zijn gegrondbevinding van de tweede grief ten grondslag legt), maar heeft aangevoerd zich te hebben verschreven (althans onhandig te hebben uitgedrukt) en te zijn blijven vasthouden aan haar beroep op opschorting en verrekening, en in zoverre geen erkenning te hebben verricht, dus als argument heeft opgevoerd haar beroep op opschorting en verrekening (waarin overigens ook al een erkenning besloten ligt) hiermee niet te hebben prijsgegeven.
borgstellingvoor deze vordering door STAK. [9] Dit oordeel is aan het hof als feitenrechter voorbehouden en is niet onbegrijpelijk in het licht van zowel de toelichting op grief 2 [10] als het feit dat met grief 1 [11] het oordeel van de rechtbank door STAK werd bestreden dat de borgstelling zich uitstrekte tot voornoemde vordering terzake de aan LabelBoxx gerichte facturen, welk standpunt door AB in hoger beroep vervolgens is bestreden en dus onderdeel uitmaakte van de rechtsstrijd. Het hof is aldus niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, zodat onderdeel Ib faalt.
vorderingbij antwoord niet heeft erkend. Geklaagd wordt dat ’s hofs oordeel dan zonder nadere motivering niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd is, nu in de hierboven weergegeven passage van de conclusie van antwoord van zowel LabelBoxx als STAK onomwonden blijkt van een erkenning door beide partijen - er staat telkens “gedaagden” - en STAK ook niet anders heeft aangevoerd, doch slechts stelt zich te hebben verschreven, en STAK ook niet aan haar grief ten grondslag heeft gelegd niet aan een erkenning te kunnen worden gehouden, nu zij de vordering nadien ter comparitie alsnog heeft weersproken (voordien had zij zulks nog niet gedaan).
vorderingop LabelBoxx bij antwoord niet heeft erkend. Het hof laat de vraag in hoeverre de vordering van AB op LabelBoxx door STAK is erkend juist in het midden.
borgstellingvoor de vordering van AB op LabelBoxx in 2010/2011 niet onbegrijpelijk gelet op het in de cassatiedagvaarding nr. 4.5 vermelde citaat uit nr. 4.10 sub b van de conclusie van antwoord (aangehaald hiervoor onder 1.3).
tussenvonnisvan 14 maart 2012 heeft vernietigd. Daartoe wordt aangevoerd dat, naar ook het hof heeft vastgesteld, in zowel de appeldagvaarding als de memorie van grieven uitsluitend vernietiging van het eindvonnis is gevorderd
onderdeel IIImiskent het hof dat het eindvonnis niet vernietigd kon worden op basis van de gegrondbevinding van de eerste grief. Daartoe wordt aangevoerd dat die grief zich uitsluitend richtte tegen rov. 2.12 van het eindvonnis (aangehaald hiervoor onder 1.7), waarin de rechtbank slechts
verwijstnaar haar oordeel in het tussenvonnis. Nu de dragende rechtsoverweging in dat tussenvonnis (rov. 4.7) niet is bestreden, was het hof daaraan gebonden. Indien het hof zulks niet heeft miskend, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd waarom (naar het oordeel van het hof) de vordering ad € 60.319,35 alsnog voor afwijzing in aanmerking kwam.
en een aantal overwegingen die aan deze toewijzing ten grondslag liggen, waaronder rov. 4.7 van het tussenvonnis van 14 maart 2012. [12] Onderdeel III mist derhalve feitelijke grondslag waar het tot uitgangspunt neemt dat rov. 4.7 van het tussenvonnis niet is bestreden. Genoemd oordeel is voorbehouden aan het hof als feitenrechter en niet onbegrijpelijk gelet op onder meer de (toelichting bij) grieven 1 en 2 (alsmede de conclusie van de memorie van grieven waarin het hof onder meer werd verzocht alle vorderingen van AB af te wijzen) en het feit dat AB de grieven aldus heeft begrepen en verweer heeft gevoerd. [13] Op basis van de volgens het hof (mede) tegen het tussenvonnis gerichte slagende grieven kon het hof derhalve (ook) het tussenvonnis vernietigen. [14]
onderdeel IVais deze lezing van de uitspraak van de rechtbank zonder nadere motivering niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd. In de rov. 4.6 en 4.7 van het tussenvonnis kan niet anders worden gelezen dan dat de rechtbank is uitgegaan van stelplicht en bewijslast voor STAK, gelet op (i) de afzonderlijke behandeling door de rechtbank van de vordering betreffende de facturen 2010/2011, (ii) de omstandigheid dat de rechtbank niet overweegt de door AB gepropageerde uitleg van de borgtocht voorshands aannemelijk te achten en STAK toe te laten hiertegen tegenbewijs te leveren, en (iii) de noodzaak om een bewijsaanbod te doen om toegelaten te kunnen worden tot bewijs van stellingen waarvan op desbetreffende partij de bewijslast rust.
onderdeel Vrichten zich tegen rov. 2.5 van het eindarrest voor zover het hof hierin overweegt er van uit te gaan dat het bedrag van € 60.319,35 ziet op “het totaal van de facturen die AB aan LabelBoxx heeft gezonden voor de in de periode van maart 2010 tot en met maart 2011 door LabelBoxx aan AB verstrekte opdrachten”, nu de inleidende dagvaarding zulks vermeldt. In hoger beroep heeft AB verklaard dat dit bedrag mede betrekking heeft op nog door RSPD (in Azië) bestelde partijen kleding die ten tijde van de faillietverklaring van RSPD nog onderweg waren vanuit Azië naar Nederland en die nadien in 2010 (na aankomst in Rotterdam) aan LabelBoxx zijn verstrekt. Door vast te houden aan de stelling van AB in haar dagvaarding in eerste aanleg (dat dit bedrag van € 60.319,35 enkel ziet op facturen voor werkzaamheden in opdracht van LabelBoxx) terwijl AB deze stelling in hoger beroep heeft aangepast (nu zij in appel heeft aangevoerd dat deze som mede bestaat uit nog onbetaald gelaten facturen voor werkzaamheden in verband met later gearriveerde bestelling van RSPD), heeft het hof miskend dat partijen in hoger beroep hun stellingen mogen wijzigen, en is het dus uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Zo het hof dit niet heeft miskend, is zonder nadere motivering niet (genoegzaam) gemotiveerd waarom ervan wordt uitgegaan dat AB vasthoudt aan haar stelling in eerste aanleg dat de facturen voor het bedrag van € 60.319,35 zien op werkzaamheden in opdracht van LabelBoxx, althans waarom het hof meent haar daaraan te moeten houden.