Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
primair(cassatiemiddel onder 8 en 9) dat het hof in rov. 3.4 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de (destijds [5] ) geldende maatstaf bij beëindiging van een arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. Het hof zou miskennen dat naar vaste rechtspraak van Uw Raad een daarop gerichte “
duidelijke en ondubbelzinnige verklaring” van de werknemer vereist is. [6]
verklaringen of gedragingenvan de werknemer blijkt van een
'duidelijke en ondubbelzinnige instemming' met de beëindiging. [10] Niet voldoende is dat de werknemer de schijn heeft gewekt dat hij zich neerlegt bij de beëindiging. [11]
subsidiairdat voor zover het hof in rov. 3.4 uit de daar vermelde feiten en omstandigheden heeft afgeleid dat sprake zou zijn van een ‘duidelijke en ondubbelzinnige verklaring’ van [eiseres], dat oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd is. Die feiten en omstandigheden komen er op neer dat (i) [eiseres] op de hoogte was van een
fiscaleconstructie waarin zij door een andere entiteit zou worden betaald en (ii) [eiseres]
geen bezwaarheeft gemaakt tegen haar benoeming tot bestuurder bij en de bezoldiging door de stichtingen. Daaruit valt geen enkele, laat staan een duidelijke en ondubbelzinnige
verklaringaf te leiden die is gericht op de
civielrechtelijkebeëindiging van het dienstverband, aldus de klacht.