Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
eerste plaatsmiskent het hof de rol van de curator (a) bij de totstandkoming van een dergelijke regeling en (b) bij de behandeling van het tegen de faillietverklaring ingestelde hoger beroep, in het kader waarvan het hof (mede) tegen de achtergrond van die regeling beoordeelt of de schuldenaar verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.
gefailleerde- en niet de curator - die in het kader van het (door hem ingestelde) hoger beroep tegen de faillietverklaring tracht om met de aanvrager van het faillissement en de overige schuldeisers een regeling te treffen. De curator is bij die regeling
geenpartij. Dat het hof dit heeft miskend, blijkt ook uit rov. 4, waarin het overweegt dat “de curator een regeling [trof] met de aanvrager van het faillissement en [A]”, en uit rov. 5.5, waarin wordt overwogen dat het “zijn [waarmee door het hof wordt gedoeld op De Jong; adv.] bedoeling was” dat de regeling op een bepaalde manier zou worden uitgevoerd. In elk geval zijn deze overwegingen onbegrijpelijk in het licht van de gedingstukken, waaruit onder meer blijkt dat De Jong aan het hof heeft geschreven “dat hij van de wederzijdse advocaten bericht [had] gekregen dat er een regeling in der minne tussen partijen [was] getroffen” om vervolgens de van die advocaten vernomen inhoud van de regeling te schetsen [13] , en dat
c.s.bereid waren “om alle bestaande schuldeisers, integraal dan wel gedeeltelijk te voldoen, althans voor deze al dan niet gemotiveerd betwiste vorderingen voldoende zekerheid te stellen.” [14]
tweede plaatsmiskent het hof dat de faillissementstoestand met het verstrijken van de cassatietermijn (van acht dagen; art. 12 lid 1 Fw Pro) en de daarop volgende aankondiging ex art. 15 Fw Pro eindigt, als gevolg waarvan de curator die hoedanigheid niet langer heeft en bij gebreke van enige andersluidende bepaling ook niet langer bevoegd is om het vermogen van de schuldenaar te beheren en daarover te beschikken (art. 13 Fw Pro). Hiermee strookt niet dat de curator gehouden zou zijn tot de uitvoering van een in het kader van de vernietiging van het faillissement door de schuldenaar getroffen regeling, zoals het hof in rov. 5.6 (laatste zin) ook zelf lijkt te onderkennen. Hiermee strookt evenmin om - indien die uitvoering (dus) aan een ander wordt overgelaten - op de (voormalig) curator de verplichting te leggen met die ander (sluitende) afspraken te maken en de crediteuren daaromtrent te informeren (nr. 2.5 cassatiedagvaarding).
derde plaatsheeft het hof met zijn oordeel miskend dat op de curator in beginsel slechts (algemene) informatieplichten jegens de schuldeisers rusten indien de Faillissementswet daarin voorziet en dat geen algemene verplichting voor de curator bestaat om de schuldeisers van het uitspreken van het faillissement op de hoogte te stellen teneinde aan hen de gelegenheid te geven hun rechten veilig te stellen, zodat niet valt in te zien dat de curator bij gebreke van een andersluidende wettelijke bepaling wél in het algemeen gehouden zou zijn de crediteuren over de details van een door de schuldenaar in het kader van de gewenste vernietiging van de faillietverklaring getroffen regeling in te lichten, zodat zij indien gewenst maatregelen kunnen treffen om hun positie veilig te stellen (nr. 2.6 cassatiedagvaarding).
in het algemeende verplichting rust om te verzekeren dat een in het kader van een procedure tot vernietiging van een faillissement getroffen regeling wordt uitgevoerd, dan wel - indien de regeling wordt uitgevoerd door een ander dan de curator - om goede (het hof spreekt in rov. 5.6 van waterdichte) afspraken met die ander te maken én de crediteuren over die afspraken te informeren, zodat zij (indien gewenst) maatregelen kunnen treffen.
nr. 2.4 onder a) dan ook niet slagen.
onder 2.5er terecht op dat het aannemen van de door het hof aangenomen verplichtingen in zijn algemeenheid niet goed valt te rijmen met het verlies van de hoedanigheid van curator na de vernietiging van het faillissement in hoger beroep, het verstrijken van de cassatietermijn en de aankondiging ex art. 15 Fw Pro, [19] waardoor de curator bij gebreke van een andersluidende bepaling ook niet langer bevoegd is om het vermogen van de schuldenaar te beheren en daarover te beschikken (art. 13 Fw Pro). [20]
onder 2.7slaagt eveneens, nu zonder nadere toelichting niet valt in te zien waarom op de curator een mededelingsplicht zou rusten met betrekking tot het door hem overmaken van de opbrengst van het onroerend goed aan mr. Kurz. Reeds met en door de faillietverklaring was het beslag vervallen en met de vernietiging van het faillissement zou het beslag niet herleven, [23] zodat [verweerster] als beslaglegger geen bijzondere positie meer innam ten aanzien van (de opbrengst van) het goed waarop zij voor de faillietverklaring beslag had gelegd. Van een mededelingsplicht zou wellicht sprake kunnen zijn onder bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld indien bij [verweerster] het vertrouwen was gewekt dat de gelden ook na afloop van het faillissement onder de curator zouden blijven berusten maar vervolgens een afwijkende lijn werd gevolgd en de curator had moeten inzien dat zulks niet zou corresponderen met het opgewekte vertrouwen, dan wel bij andere bijzondere omstandigheden. [24] Daaromtrent heeft het hof echter niets vastgesteld. [25]
onder 2.8van de cassatiedagvaarding buiten behandeling blijven.
onder 2.9van de cassatiedagvaarding eveneens doel treft.
alsDe Jong aan [verweerster] had bericht dat de gelden van de faillissementsrekening waren overgemaakt naar de derdengeldenrekening van mr. Kurz, [verweerster] naar aanleiding van dat bericht tijdig stappen zou hebben ondernomen om het verhaal van haar vordering veilig te stellen. Het hof heeft niet vastgesteld dat van een dergelijk causaal verband sprake is (nr. 2.13 cassatiedagvaarding).
mogelijkheidvan schade aannemelijk behoort te zijn gemaakt. Het oordeel van het hof is niet onjuist of onbegrijpelijk.
3.Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
nrs. 1.30-1.34van het middel wordt
voortsgeklaagd dat het verwijt dat [verweerster] geen maatregelen in de vorm van beslag ter verzekering van verhaal heeft getroffen, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is in het licht van de norm in rov. 5.8-5.9 in de aanloop naar het oordeel dat de curator jegens [verweerster] aansprakelijk is. [verweerster] wist immers niet van de afspraken tussen de curator en mr. Kurz over de ontvangen gelden en kon dat bij gebreke van informatie van de curator ook niet weten. Daarbij komt dat uit niets van wat het hof heeft overwogen blijkt of kan blijken dat (laat staan hoe) [verweerster] (bij een onbevredigend antwoord op de vraag hoe het verhaal op haar vordering zou worden verzekerd) op de gedachte had moeten of kunnen komen dat zij onder of ten laste van mr. Kurz beslag kon doen leggen.
zou kunnenzijn of
eventueleaansprakelijkheid zou worden aangenomen op basis van de primaire dan wel subsidiaire grondslag van de vordering van [verweerster] , mede afhankelijk van de inhoud van en precieze verplichtingen voortvloeiende uit een eventuele toezegging van de curator jegens [verweerster] .