Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
full servicehovenier die ook bestraat en grondwerk doet. In geschil is of zij moet worden ingedeeld in premiesector 1 (Agrarisch bedrijf) of premiesector 3 (Bouwbedrijf).
BNB2009/231 overwoog u dat uit de geschiedenis van de OSV 1995 niet bleek dat de wetgever met de toevoeging van ‘als werkgever’ inhoudelijke wijzigingen wilde aanbrengen in de bestaande indelingspraktijk. Die zaak ging echter over het
eerstelid van art. 96 Wfsv Pro, waarin noch de term ‘(premieplichtig) loon’, noch de term ‘betaalt’ voorkomt. Lid 1 gaat niet over de samengestelde ondernemingen van het tweede lid, die na de reguliere indeling (waar HR BNB 2009/231 over ging) in meer sectoren vallen en bij wie dus een keuze moet worden gemaakt (als geen gesplitste indeling wordt toegestaan). De reguliere indeling (lid 1) wordt bepaald door de aard van de verrichte werkzaamheden en de maatschappelijke functie van de onderneming. Het gaat bij de belanghebbende echter niet om lid 1, maar om lid 2, dat een enkelvoudige indeling moet opleveren en daarvoor een ander criterium geeft, nl. het (i) ‘als werkgever’ (ii) ‘betaalde’ (iii) ‘premieplichtige loon’.
omzette kijken, maar tekst noch geschiedenis van de wet bieden steun aan die opvatting, die op beleidswensen gebaseerd lijkt. Weliswaar is ook in lid 2 de invoeging van de term ‘als werkgever’ niet toegelicht, en evenmin de invoeging aldaar van de term ‘premieplichtig’ voor de term ‘loon’, maar (i) dat laat onverlet dat in lid 1 de
werkzaamhedenbepalend zijn en in lid 2 ook vóór die twee invoegingen altijd het
betaalde loonbepalend is geweest, en (ii) mij uitgesloten lijkt dat de wetgever (iia) in lid 2 met ‘het bedrag’ dat de werkgever ‘als premieplichtig loon betaalt’ iets anders bedoeld kan hebben dan het bedrag dat hij betaalt aan premieplichtig loon, dus aan zijn werknemers; niet aan anderen, of (iib) met de term ‘als werkgever betaalt’ bedoeld zou hebben ‘
andersdan als werkgever betaalt’, dus als – bijvoorbeeld – aanbesteder, opdrachtgever van diensten, inlener of koppelbaas. Er moeten mijns inziens zeer sterke aanwijzingen in de wetgeschiedenis en het systeem van de wet zijn om zo tegen een heldere wettekst en -geschiedenis in te gaan. Die zijn er niet. Uit de parlementaire toelichtingen op de voorlopers van art. 96 Wfsv Pro blijkt juist expliciet dat de wetgever bij de enkelvoudige aansluitkeuze die volgens lid 2 voor samengestelde ondernemingen gemaakt moet worden, “de
loonsomgeldt als criterium voor aansluiting”, dus niet de (aard van de) werkzaamheden of een maatschappelijke functie. Evenmin als onder ‘betaald (premieplichtig) loon’ kan onder “loonsom” begrepen worden hetgeen een onderneming als opdrachtgever of aanbesteder op factuur betaalt aan een andere ondernemer. Dergelijke dienstverleningsvergoedingen vallen dan ook niet onder het loonbegrip van de Wet op de loonbelasting 1964, dat mede geldt voor de Wfsv (zie art. 16 Wfsv Pro).
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
Feiten
NTFR2017/1416) vindt het opvallend dat
3.Het geding in cassatie
BNB2009/231 (zie 4.15 hierna) volgt dat de toevoeging van die term per 1 januari 1995 niet relevant is. Hij wijst voorts op twee uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20 december 2004 (zie 4.12 en 4.13 hieronder) en een uitspraak van het hof Den Haag van 18 januari 2012 (zie 4.16 hierna). In de zaak CRvB 20 december 2004, nr. 03/4510 OSV (zie 4.13) kon geen koppeling gemaakt worden tussen de urenstaten van de werkzaamheden en de aard van de door de werknemers verrichte werkzaamheden; de CRvB achtte het daarom niet onredelijk dat het Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen (UWV) zich voor de toerekening van werkzaamheden aan sectoren baseerde op de omzet per BTW-tarief. De Staatssecretaris meent dat het in casu evenmin mogelijk is een zuivere splitsing op basis van de premieloonsom te maken.
verweervoert de belanghebbende aan dat de bedragen betaald aan derden en aan de holding (voor de werkzaamheden van de DGA) geen loon zijn en dat daarmee dus geen rekening gehouden behoort te worden, mede gegeven dat die bedragen niet louter loon omvatten, maar ook een kostenvergoeding en een winstopslag. Over die bedragen zijn door de belanghebbende dan ook geen premies werknemersverzekeringen verschuldigd. Haar concurrentiepositie zou ernstig worden geschaad als zij wordt ingedeeld als bouwbedrijf omdat zij dan hogere premies moet afdragen.
4.Premiesectorindeling bij samengestelde ondernemingen
Regelgeving en (parlementaire) geschiedenis
niet-samengestelde onderneming achtte de CRvB niet relevant dat de activiteiten deels werden uitbesteed: [13]
BNB2009/231 [16] betrof een belanghebbende die gevels voor woningen, flats, kantoren en dergelijke leverde tegen een
all inprijs. Behalve de acquisitie en de projectcalculatie besteedde zij alle werkzaamheden uit. Zij was een niet-samengestelde onderneming, zodat lid 1 van art. 96 Wfsv Pro van toepassing was. Zij wenste te worden ingedeeld in de sectoren Groothandel I of II en niet in de sector Bouwbedrijf. Het Hof stelde haar in het ongelijk. U bevestigde dat oordeel, omdat (i) een werkgever moet worden ingedeeld naar de aard van de verrichte werkzaamheden en op basis van de functie die de (onderneming van de) werkgever in het maatschappelijk verkeer vervult en (ii) niet was gebleken dat de wetgever met de toevoeging van de term ‘als werkgever’ inhoudelijke wijzigingen beoogde:
BNB2009/231 op de betekenis van de term ‘werkgever’ en op de ongerijmde gevolgen van het al dan niet meetellen van ingeleende arbeidskrachten bij de sectorindeling: [18]
BNB2009/231 over uw in 4.15 geciteerde arrest:
Voorbeeld
5.Beoordeling van het middel
BNB2009/231 overwoog u dat uit de geschiedenis van de OSV 1995 niet bleek dat de wetgever met de toevoeging van ‘als werkgever’ inhoudelijke wijzigingen wilde aanbrengen in de bestaande indelingspraktijk. Die zaak ging over het eerste lid van art. 96 Wfsv Pro, waarin noch de term ‘loon’, noch de term ‘betaalt’, noch de term ‘premieplichtig’ voorkomt. Lid 1 verwijst voor de reguliere premie-sectorindeling slechts naar ‘werkzaamheden’ en heeft het over ‘doet verrichten’, hetgeen kan suggereren dat ook de werkzaamheden van ingehuurde krachten en onderaannemers relevant zijn. De enige aanwijzing in lid 1 dat dergelijke werkzaamheden niet meetellen, is de later zonder toelichting ingevoegde term ‘als werkgever’. Die invoeging achtte u in HR
BNB2009/231 onvoldoende om aan te nemen dat bedoeld was de indelingspraktijk te wijzigen. De reguliere indeling wordt bepaald door de aard van de verrichte werkzaamheden en de functie die de (onderneming van de) werkgever in het maatschappelijk verkeer vervult. In HR
BNB2009/231 leidde dat tot indeling van de werkgever als bouwbedrijf hoewel de bij hem in dienst zijnde werknemers alleen de acquisitie en de projectcalculatie deden. Ook de CRvB achtte voor de premiesectorindeling niet relevant of en in welke mate een aannemer zijn werk uitbesteedt, nu de aard van het aanneembedrijf meebrengt dat er onderaannemers bij gehaald worden (zie 4.12). Van Ballegooijen en Van Schendel achten het resultaat in de zaak HR
BNB2009/231 onredelijk en contrarationeel als de onderaannemers die de bouw van de door belanghebbendes werknemers geacquireerde en gecalculeerde gevels op zich namen, al ingedeeld waren als bouwbedrijf, maar daar staat tegenover dat ook gevelbouwers die hun producten met
eigenbouwpersoneel bouwen in de sector ‘Bouwbedrijf’ terechtkomen, óók voor wat betreft de bij hen in dienst zijnde acquisiteurs en constructeurs. Dáár staat wel weer tegenover dat een bedrijf dat overigens identiek is aan de belanghebbende van HR
BNB2009/231, maar niet als hoofdaannemer fungeert maar alleen acquireert en calculeert en bij elke acquisitie een hoofdaannemer zoekt die rechtstreeks met de gevelgegadigde contracteert, denkelijk niet in de sector ‘Bouwbedrijf’ zou vallen, maar in zakelijke dienstverlening of iets technisch. Wat daar van zij, het is bij een inconcludente wettekst niet onredelijk om de aard van de totale bedrijfswerkzaamheden en de maatschappelijke functie beslissend te doen zijn. De belanghebbende in HR
BNB2009/231 was tenslotte hoofdaannemer.
nietvoor, maar juist wél de termen ‘loon’, ‘betaalt’, en ‘premieplichtig’ (alsmede de term ‘als werkgever’).
omzetverdeling beslissend te achten (zie 4.11), maar tekst noch geschiedenis van de wet bieden steun aan die opvatting. Weliswaar is ook in lid 2 de invoeging van de term ‘als werkgever’ niet toegelicht, en evenmin de invoeging aldaar van de term ‘premieplichtig’ voor de term ‘loon’, maar dat laat onverlet dat ook vóór die twee invoegingen in lid 2 altijd het
betaalde loonbepalend is geweest en het lijkt mij uitgesloten dat de wetgever in lid 2 met ‘het bedrag’ dat de werkgever ‘aan premieplichtig loon betaalt’ iets anders bedoeld kan hebben dan het bedrag dat hij betaalt aan premieplichtig loon, dus aan
zijnwerknemers; niet aan derden, en ook dat de wetgever met de term ‘als werkgever (…) betaalt’ bedoeld zou hebben ‘
andersdan als werkgever betaalt’, dus als – bijvoorbeeld – aanbesteder, opdrachtgever van diensten, inlener of koppelbaas.
bij haarin dienstbetrekking zijnde werknemers. De wetgever heeft ondubbelzinnig de relatieve verdeling (‘het hoogste bedrag’) van het als werkgever uitbetaalde premieplichtige loon over de twee sectoren als maatstaf aangewezen voor de sectorkeuze. Dat ‘premieplichtige loon’, dat de belanghebbende ‘als werkgever’ betaalt, kan mijns inziens niet opgevat worden als mede omvattende betalingen die zij niet ‘als werkgever’ betaald heeft en die geen ‘loon’ zijn, laat staan ‘premieplichtig.’
hunwerkgevers. Ook als die arbeidskrachten niet afkomstig zijn van ‘Bouwbedrijven’, maar uitgezonden zijn door een uitzendbureau, geldt een hoog premiepercentage; hoger dan voor een agrarisch bedrijf en ook hoger dan voor een bouwbedrijf. Van oneigenlijk premieverlies blijkt dus niet.
tweedelid van art. 96 Wfsv Pro, van de werkzaamheden of het al dan niet ‘gebruikelijke’ loon van de DGA. Art. 16 Wfsv Pro sluit gebruikelijk loon in de zin van art. 12a Wet LB niet uit van het premieplichtige loon en dat zou ook niet erg logisch zijn, gezien het doel van de gebruikelijk-loonregeling (voorkoming van ontwijking van loonheffingen). Aan te nemen valt dat de werkzaamheden en het loon van de DGA van de Holding bij de Holding in aanmerking worden genomen voor de sectorindeling en de premieheffing, zodat ook hier niets oneigenlijks aan de hand lijkt.