Conclusie
NJ1926, p. 1043) oordeelde de Hoge Raad dat het hof uit de bewijsmiddelen aanwijzingen heeft kunnen putten dat de verdachte muntbiljetten, waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, in voorraad heeft gehad met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven. De bewijsmiddelen hielden – kort gezegd – in dat de politie bij fouillering op de verdachte een zilverbon tussen zijn papieren heeft gevonden, dat de verdachte op de vraag of hij nog een valse zilverbon had, heeft geantwoord “misschien heb ik er nog een in mijn zak”, dat bij huiszoeking bij de verdachte 35 valse “zilverbons” van ƒ 2,50 zijn aangetroffen in een portemonnee die was opgeborgen in een linnenkast, staande in de voorkamer, achter papieren, boeken en dozen en dat de verdachte deze zilverbonnen had gevonden in de door A. bewoonde zolderkamer, dat hij een bundel zilverbonnen tot zich heeft genomen en dat hij onmiddellijk had gezien dat de zilverbonnen vals waren. In HR 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9861 deed de Hoge Raad de cassatiemiddelen af met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering. Uit de conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga blijkt het volgende over de zaak. In de auto van de verdachte was een plastic tas aangetroffen met daarin in plastic gesealde bundeltjes valse bankbiljetten van DM 100,- en ƒ 1.000,-. Het hof stelde vast dat de verdachte met de inhoud van de tas bekend was. Het hof achtte vervolgens het oogmerk om deze bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven bewezen en nam daarbij de volgende drie punten in aanmerking: a) dat in het algemeen een ander gebruik van valse bankbiljetten dan deze als echt en onvervalst uit te geven dan wel te doen uitgeven zich moeilijk laat denken, b) dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat valse bankbiljetten met dezelfde oorsprong als de onder verdachte in beslag genomen partij valse bankbiljetten in het betalingsverkeer zijn gebracht en c) dat de verdachte geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om tijdens enig verhoor zelfs maar te stellen dat hij niet het oogmerk heeft gehad om de desbetreffende bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven.