Voetnoten
3.Gerechtshof Amsterdam 23 mei 2017, nr. 16/00497, niet gepubliceerd.
4.Gerechtshof Amsterdam 23 mei 2017, nr. 16/00498, niet gepubliceerd.
5.Vandaag neem ik eveneens conclusie in de zaken nrs. 17/00649, 17/00645 en 17/00646. In die drie zaken (met twee middelen) is het eerste middel van de Staatssecretaris inhoudelijk gelijk aan het enige cassatiemiddel in de onderhavige zaak.
6.Sinds 1 januari 2010 wordt dit recht niet meer aangeduid als ‘recht van successie’, maar als ‘erfbelasting’. Zie artikel 1, eerste lid, ten eerste, van de Successiewet 1956. Ik zal de oude en de huidige benaming in deze conclusie beide gebruiken.
7.De vier wettelijke fasen worden uitvoeriger beschreven in onderdeel 5.5 – 5.11 van deze conclusie.
9.De Inspecteur heeft in zijn beroepschrift in hoger beroep primair betoogd dat vanwege het ontbreken van overgangsrecht het grond van het op 1 januari 2012 ingevoerde artikel 66, derde lid, van de SW, onmiddellijke werking en onbeperkt terugwerkende kracht heeft, zodat op grond van die bepaling kan worden nagevorderd. Dit standpunt heeft de Inspecteur naderhand, onder verwijzing naar het arrest van 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:356 (zie onderdeel 4.17) ingetrokken. 10.Bij het Hof was, evenals bij de Rechtbank, ook nog in geschil of de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en of recht bestond op integrale proceskostenvergoeding en schadevergoeding. Dat speelt in cassatie geen rol meer.
11.Zie voor het arrest van de Hoge Raad van 19 september 1990 onderdeel 4.16 van deze conclusie.
12.De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn meestal zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten met een tekstbewerking, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven. In citaten voorkomende witregels zijn soms weggelaten.
17.Voetnoot A-G: Zie onderdeel 4.16.
18.Voetnoot A-G: zie
19.Voetnoot A-G: zie
20.Wet van 28 juni 1956 inzake de heffing van de rechten van successie, van schenking en van overgang,
21.Wet van 8 november 1984, houdende herziening van de Successiewet 1956,
22.Wet van 22 mei 1991 tot verlenging van de in de Algemene wet inzake rijksbelastingen vervatte termijn van navordering voor vermogens- en inkomensbestanddelen in het buitenland,
33.L.M. Holdert,
34.M. Schuver-Bravenboer,
35.M. Schuver-Bravenboer,
36.M.R.T. Pauwels,
37.M.R.T. Pauwels,
38.M.R.T. Pauwels,
39.M.R.T. Pauwels,
40.A. Breuer, ‘Geef het rechtszekerheidsbeginsel een kans bij art. 66, lid 3, SW 1956!’, FED fiscale ergernissen, blog van 8 mei 2017, zie:
41.Zie voor de toelichting op het middel van de Staatssecretaris 3.3 van deze conclusie.
42.Zie 4.3 voor de tot 31 december 1984 luidende tekst van artikel 66, eerste lid, onderdeel 1 en onderdeel 7, van de SW.
43.Zie 4.4 voor de tekst van artikel 66, eerste lid, aanhef en onderdeel 1, van de SW.
44.Zie 4.5 voor artikel VI van de Wet van 8 november 1984 met daarin het overgangsrecht.
45.Zie 4.6 voor de tekst van het per 8 juni 1991 geldende artikel 66, eerste lid, aanhef en onderdeel 1, van de SW.
46.Zie 4.7 voor artikel IV van de Wet van 22 mei 1991 met daarin het overgangsrecht.
47.Ofschoon ‘bijzonder’ is de ratio van deze keuze niet toegelicht in de parlementaire geschiedenis.
48.Opgenomen in artikel VI van de Wet van 8 november 1984.
49.Laat mij als volgt een duit in het doctrinaire zakje doen. Dit overgangsrecht behelst onmiddellijke werking, echter met eerbiedigende werking voor in het overgangsrecht omschreven rechtsfeiten welke hebben plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van de nieuwe regeling.
50.Zie 4.10 en 4.11. Zie omtrent overgangsrecht met eerbiedigende werking 4.20 - 4.22.
51.Vgl. onder meer de parlementaire geschiedenis opgenomen in onderdeel 4.10 - 4.15.
52.Hofuitspraak r.o. 4.5.2, opgenomen in onderdeel 2.6.
53.Het gaat aldus met name om gevallen waarin een erflater tussen 1 januari 1985 en uiterlijk 7 juni 1986 is overleden, uitgaande van de datum waarop de akte van overlijden in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven.
54.Zie over onmiddellijke werking de onderdelen 4.14, 4.19 en 4.24.
55.Zie 4.10 voor de Memorie van Toelichting bij de Wet van 22 mei 1991.
56.Zie 4.12 voor de Memorie van Antwoord bij de Wet van 22 mei 1991.