In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens uitlokking van medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad. De verdediging stelde cassatie in met als middel dat de redelijke termijn was overschreden en dat het hof ten onrechte geen rechtsgevolg aan deze overschrijding had verbonden.
De rechtbank had vastgesteld dat de redelijke termijn van twee jaar tussen aanhouding en eindvonnis met meer dan vier jaar was overschreden. Het hof oordeelde dat deze overschrijding onwenselijk maar niet onredelijk was, mede vanwege onderzoekswensen van de verdediging, en verbond hieraan geen strafvermindering.
De Hoge Raad stelde vast dat de onderzoekswensen van de verdediging beperkt waren (verzoek tot horen van vier getuigen, waarvan twee toegewezen, en het mogen uitluisteren van audioverhoren) en dat de substantiële overschrijding van de redelijke termijn hierdoor niet gerechtvaardigd was. Het oordeel van het hof dat geen rechtsgevolg aan de overschrijding verbonden hoefde te worden, was zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
De Hoge Raad vernietigde daarom het bestreden arrest voor wat betreft de strafduur en besloot de straf te verminderen. Er werden geen andere gronden voor vernietiging gevonden. De zaak illustreert het belang van het recht op een redelijke termijn in strafzaken en de noodzaak van een zorgvuldige motivering bij overschrijding.