Conclusie
1.De feiten
2.Het procesverloop
3.De bespreking van het cassatiemiddel
.
RvdW2016/91, waarin de Hoge Raad het volgende overweegt:
NJ2007/324).”
sluit juist uitdat dat – immers beëindigde – contract wordt
overgenomen. Zouden CAO-partijen hebben beoogd dat de betrokken regeling óók in een faillissementssituatie als hier aan de orde van toepassing zou zijn, dan had het in de rede gelegen dat in artikel 38 CAO Pro (uitdrukkelijk) te regelen, behoud van rechten na faillissement van de oorspronkelijke werkgever (hier Albatros) niet (goed) in het systeem van de wet past, met name doordat de wettelijke regels betreffende overgang (art. 7:662 e.v. BW) in zo’n situatie niet gelden, en er geen (goede) redenen zijn om aan te nemen dat CAO-partijen (geacht mogen worden) beoogd te hebben de betrokken rechten ook na faillissement te willen handhaven.
normatievebepaling is, zodat door individuele werknemers als [verweerder] c.s. geen beroep kan worden gedaan op strijd met de overgangsbepaling bij een aanbod als door CSU aan [verweerder] c.s. gedaan.