Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeel(uitgewerkt in I.1.(1-11)) klaagt dat het hof in rov. 2.11, door op grond van de verklaring van de bewindvoerder ter zitting te oordelen dat de bewindvoerder voldoende heeft gedaan ter monitoring van [verzoekster], heeft miskend dat het de bewindvoerder na cassatie en verwijzing niet meer was toegestaan om alsnog inhoudelijk te reageren op grief 2 van [verzoekster]. Na cassatie en verwijzing heeft de bewindvoerder de in grief 2 aangevoerde schending van de monitorverplichting namelijk alsnog betwist, terwijl de bewindvoerder dat in de procedure voor verwijzing had nagelaten. Het hof had hier ambtshalve aan voorbij moeten gaan. Voor zover het hof het voorgaande niet heeft miskend, maar heeft gemeend dat het hier niet gaat om een nieuw verweer, heeft het niet alleen het partijdebat voor verwijzing miskend, maar ook een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
(door de bewindvoerder)om beschermingsbewind te laten aanzoeken door de saniet'. Uiteraard heb ik naar aanleiding van het vonnis van 3 april 2015 telefonisch contact gehad met Plangroep, de budgetbeheerder van [verzoekster]. Zij hebben verklaard bereid te zijn om haar te helpen bij het aanvragen van beschermingsbewind. Ik heb verder begrepen dat er ook telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen [verzoekster] en Plangroep over het aanvragen van beschermingsbewind. Kennelijk heeft dat tot op heden niet tot een onderbewindstelling geleid.
invulling is gegeven aan de monitoringsplicht, is voor verwijzing niet toegelicht. Sterker nog, uit hetgeen voor verwijzing is gesteld kon niets anders worden afgeleid dan dat de bewindvoerder
geen contactheeft opgenomen met [verzoekster] over het beschermingsbewind en ook overigens
niets heeft ondernomenin dat verband (zie mijn vorige conclusie in deze zaak onder 3.4, hierna weergegeven in 2.21). Eerst na verwijzing heeft de bewindvoerder toegelicht wat er door haar zou zijn gedaan ter nakoming van de monitoringsverplichting.
tussentijdsebeëindiging – dat na afwijzing van het hier voorliggende verzoek een nieuw, vergelijkbaar verzoek kan worden ingediend waarin de nadere stellingen van de bewindvoerder alsnog kunnen worden ingenomen.
tweede onderdeel(I.2) bevat een louter op het eerste onderdeel voortbouwende klacht, over de conclusies van het hof in rov. 2.11 en 2.12, die zodoende ook opgaat en hier geen afzonderlijke bespreking behoeft.
derde onderdeel(I.3) is bij de aanvulling van het verzoekschrift tot cassatie ingetrokken (zie p. 2 aanv. vzs., laatste alinea: “Tegelijkertijd met deze aanvulling van de klachten wordt middelonderdeel I.3 ingetrokken”).
resultaatverplichting van de bewindvoerder was nu juist bedoeld om te waarborgen dat [verzoekster] aan haar schuldsaneringsverplichtingen zou kunnen voldoen, omdat zij daartoe zelf niet in staat is. De bewindvoerder kan dus niet worden ontslagen van die monitorverplichting op grond van het feit dat [verzoekster] haar toeslagen niet heeft stopgezet op verzoek van de bewindvoerder en dat dit komt omdat zij de toeslagen niet wilde kwijtraken (welke veronderstelling overigens wordt bestreden). Er was voldoende aanleiding om desnoods ex art. 354 lid 2 Fw Pro schone lei te verlenen
rechterheeft de WSNP-bewindvoerder
uitdrukkelijk verzocht toe te zien(‘nauwgezet te monitoren’) op de nakoming door [verzoekster] van de aan de haar geboden ‘laatste kans’ verbonden voorwaarde om beschermingsbewind aan te vragen. Uit het proces-verbaal van de appelzitting (vgl. hiervoor onder 1.9, 4e alinea) en de achter tabblad 6 van het procesdossier overgelegde brief van de bewindvoerder van 25 februari 2016 aan het hof (p. 2 onder het kopje ‘Overige informatie’: ‘[verzoekster] heeft niet laten weten of zij in beschermingsbewind is gegaan. Ik heb geen beschikking ontvangen’) kan moeilijk anders worden afgeleid dan dat de bewindvoerder
geen contactheeft opgenomen met [verzoekster] over het beschermingsbewind en ook overigens
niets heeft ondernomenin dat verband. Daarmee staat in cassatie vast dat de bewindvoerder aan het ‘nauwgezet monitoren’-verzoek van de rechtbank geen enkele andere concrete invulling heeft gegeven dan
volkomen passief afwachtenof er een beschikking beschermingsbewind zou afkomen in een situatie waarin [verzoekster] had aangegeven niet te beseffen wat beschermingsbewind is. Aangezien de rechtbank had geoordeeld dat [verzoekster] in feite niet zonder beschermingsbewind kon voor het nakomen van haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling, is deze houding van de bewindvoerder in de gegeven omstandigheden in mijn optiek te afstandelijk te achten, ook indien de rechtbank de bewindvoerder slechts op haar wettelijke taak heeft willen wijzen en geen specifieke (aanvullende) verplichting in het leven heeft willen roepen (dus anders dan het cassatiemiddel betoogt). Als gezegd wordt in rechtspraak en literatuur aangenomen dat de bewindvoerder kan volstaan met een doorverwijzing ter zake van het verhelpen van persoonlijke problematiek die nakoming van schuldsaneringsverplichtingen in de weg staat, maar zelfs dat heeft de bewindvoerder klaarblijkelijk ondanks niet mis te verstane rechterlijke aansporing nagelaten. Dat lijkt mij
in dit gevalniet acceptabel. Al helemaal niet, nu de bewindvoerder zelf constateert dat een enkel telefoontje met het budgetbeheer voerende Plangroep al voldoende zou zijn geweest om een beschermingsbewindaanvraag in gang te zetten (vgl. citaat in de laatste voetnoot) en het ervaringsfeit dat een aanvraag tot beschermingsbewind op eigen verzoek doorgaans pleegt te worden gehonoreerd door de rechter. Dat een bewindvoerder in die situatie kan volstaan met het niet zelf plegen van dat telefoontje, wil er niet goed in. Dat is geen ‘nauwgezet monitoren’ maar lijdelijk afwachten of er iets gebeurt.”
resultaatsverbintenis ten aanzien van het aanvragen van het beschermingsbewind, gaat te ver gaat: de bewindvoerder kan [verzoekster] immers niet dwingen tot het aanvragen van beschermingsbewind. Dit doet aan de gegrondheid van de klacht als hiervoor besproken naar ik meen niet af.
vijfde onderdeel(I.5) klaagt kort gezegd dat de door het hof voor waar gehouden nadere verklaring van de bewindvoerder over de monitoring ter zitting zijdens [verzoekster] wel is betwist (met name de suggestie dat geen beschermingsbewind zou zijn aangevraagd omdat [verzoekster] vreesde dan geen toeslagen meer te zullen krijgen, welke toeslagen ondanks herhaalde aanmaningen niet door haar zijn stopgezet) en de daarop gebaseerde gevolgtrekkingen in deze zaak in rov. 2.11 en 2.12 een onjuist en onbegrijpelijk oordeel opleveren. [verzoekster] heeft immers gemotiveerd betwist dat zij haar medewerking aan het beschermingsbewind zou hebben geweigerd, omdat zij een schone lei wilde. Ook is aangevoerd dat de verslagen van de bewindvoerder niets inhouden over wat de bewindvoerder ter uitvoering van de monitoring heeft gedaan. Door uitsluitend geloof te hechten aan de verklaringen van de bewindvoerder, heeft het hof art. 149 Rv Pro miskend en essentiële stellingen van [verzoekster] ter zitting gepasseerd, zo klaagt het onderdeel.
meeraan beschermingsbewind.” (curs. toegevoegd). Voor zover het hof in rov. 2.9 heeft miskend dat de verklaring ter zitting ziet op de
huidige stand van zaken,getuigt het oordeel van een onjuiste lezing van de verklaring ter zitting en is het oordeel om die reden onbegrijpelijk, zo is namens [verzoekster] nog betoogd.