Conclusie
middelklaagt dat het hof in strijd met het recht, althans ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd, heeft overwogen dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geen strijd oplevert met de Terugkeerrichtlijn. [1]
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of de duur van een inreisverbod, opgelegd via een ongewenstverklaring, de maximale termijn van vijf jaar volgens artikel 11 lid 2 van Pro de Terugkeerrichtlijn overschreed en daarmee strafoplegging in de weg zou staan. De verdachte was in 2003 uitgezet en verklaard ongewenst, maar keerde binnen zes weken terug naar Nederland. Het hof veroordeelde hem tot een gevangenisstraf wegens verblijf in Nederland ondanks de ongewenstverklaring.
De Hoge Raad stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) over de berekeningswijze van de vijfjarige termijn. Het HvJEU oordeelde dat de termijn begint te lopen vanaf het moment dat de betrokkene het EU-grondgebied daadwerkelijk verlaat. Dit betekent dat de duur van het inreisverbod niet kan worden gerekend vanaf het moment van uitvaardiging van het verbod.
De Hoge Raad concludeerde dat de strafoplegging niet in strijd is met de Terugkeerrichtlijn omdat de verdachte minder dan vijf jaar het inreisverbod had nageleefd. Hoewel de implementatiewet van de richtlijn pas in 2011 in werking trad, staat dit niet aan strafoplegging in de weg omdat het tijdvak van naleving van het verbod relevant is. De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het cassatieberoep moet worden verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de strafoplegging omdat het inreisverbod minder dan vijf jaar was nageleefd.