Conclusie
1.Feiten en procesverloop
- i) De man en de vrouw hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- ii) Het minderjarige kind van de vrouw is: [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats].
- iii) Voorafgaand aan de geboorte, op 18 januari 2013, is het minderjarige kind door de man erkend.
3.De beslissing
2.Inleiding
3.Beoordeling van het principaal cassatieberoep
onderdelen A en Crichten zich tegen rov. 2.12-2.16 van de tussenbeschikking van 4 juni 2015. Daarin bespreekt het hof, kort gezegd, de door de man ingebrachte bewijsmiddelen ter onderbouwing van zijn standpunt dat er ten tijde van de erkenning sprake was van dwaling (rov. 2.13 en 2.14) en hetgeen door de vrouw (en de bijzonder curator) daartegen is aangevoerd (rov. 2.15). Het hof komt tot het oordeel dat het beroep van de man op dwaling bij de erkenning van [de minderjarige] slaagt indien tevens komt vast te staan dat de man niet de biologische vader van [de minderjarige] is (rov. 2.14 en 2.16).
subonderdelen A.1 en C.1klagen dat de bestreden overwegingen onjuist en/of onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd zijn.
de vrouw:
de bijzondere curator:
voorafgaandeaan de erkenning.
11 oktober 2012.
17 oktober 2012en de sms-berichten van de man van
2 en 3 november 2012– volgt dat de man eraan twijfelde of hij de biologische vader was van [de minderjarige].
voorafgaandaan de erkenning heeft getwijfeld aan zijn vaderschap, hetgeen de man erkent, heeft het hof onder ogen gezien (rov. 2.10). Juist met het oog op deze (eerdere) twijfels heeft het hof geoordeeld dat op de man óók de bewijslast rust dat deze twijfels waren weggenomen ten tijde van de erkenning (rov. 2.11 slot).
op of rond 17 oktober 2012. Het hof verwijst met betrekking tot de eerdere twijfels bij de man immers expliciet naar de erkenning hiervan door de man (“hetgeen de man erkent”, rov. 2.10). In eerste aanleg [20] en in hoger beroep [21] heeft de man erkend dat hij bij e-mail van 17 oktober 2012 zijn twijfels omtrent zijn vaderschap heeft geuit. Volgens de man zijn deze twijfels nadien langzaam weggeëbd door toedoen van de vrouw. [22]
niet doorslaggevendvoor het antwoord op de vraag of er tijdens de erkenning op 18 januari 2013 twijfel was bij de man.
ten tijde van de erkenningsprake was van dwaling (rov. 2.14 en 2.16) en zijn eerdere twijfels – en dus ook eventuele twijfels als gevolg van de gestelde onzekerheid over de datum van verwekking, de echo, het telefoongesprek etc. – waren weggenomen (vgl. rov. 2.11 slot).
stelling 10. In het oordeel van het hof ligt besloten dat, voor zover er al sprake is van de door de vrouw gestelde inconsistentie c.q. eerdere ontkenning van de e-mail van 17 oktober 2012 door de man in de richting van de bijzondere curator, dit niet dan wel in onvoldoende mate afdoet aan het oordeel van het hof dat de man is geslaagd in het door hem te leveren bewijs.
stelling 14faalt. Anders dan het middel lijkt te betogen, is niet vereist dat de man zich op een specifiek bericht beroept waaruit “een omslag zou blijken”. Het hof heeft zijn oordeel gebaseerd op brieven, sms-berichten, whatsapp-berichten, e-mailberichten, een uitdraai van een telefoonprovider en schriftelijke getuigenverklaringen (zoals genoemd in rov. 2.12-2.14). Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
“uit de overgelegde berichten uit 2013” volgt dat er constant twijfel bij de man heeft bestaan of hij de biologische vader was.
nietdat de vrouw in feitelijke instantie heeft gesteld dat de diverse berichten van de man en de vrouw gelezen dienen te worden
in het licht van de door de vrouw gestelde afspraak. Alleen al daarom faalt de klacht ten aanzien van stelling 6.
de bedoeling van de vrouw om de man van diens vaderschap te overtuigen. De berichten kunnen volgens de bijzondere curator “zeer wel” uiting zijn van “de wens” om “ieders brein te (re) formeren in de richting” van kennelijk de (door de vrouw gestelde) afspraak om er samen voor te gaan, onafhankelijk van de vraag of de man de biologische vader is (zie stelling 6).
door berichten en mededelingen van (onder meer) de vrouw(rov. 2.14). Uit het in dat opzicht onbestreden oordeel van het hof volgt, mede gezien de stellingname van de man (zoals samengevat in rov. 2.13), dat het hof van oordeel is dat de berichten van de vrouw aan de man weldegelijk tot doel hadden de man van diens vaderschap te overtuigen (en dus niet gelezen moeten worden in het licht van de door de vrouw gestelde afspraak, op een wijze zoals door de bijzondere curator is betoogd). De klacht ten aanzien van stelling 15 faalt derhalve bij gebrek aan belang.
stelling 7faalt. Uit de overweging van het hof dat de getuigenverklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] het oordeel van het hof bevestigen (rov. 2.14, slot) volgt dat het hof de bezwaren van de vrouw, voor zover al juist, niet doorslaggevend heeft geacht. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Zoals eerder werd aangegeven is de waardering van bewijs voorbehouden aan de feitenrechter en heeft deze daarbij een grote mate van vrijheid. Anders dan het middel lijkt te betogen, was het hof ook niet gehouden te motiveren waarom het al dan niet geloof hecht aan de verklaringen van deze getuigen. [25] Verder volgt uit de eerste volzin van rov. 2.14 dat de door de man ingebrachte berichten het oordeel van het hof zelfstandig kunnen dragen. In zoverre heeft de vrouw ook geen belang bij deze klacht.
stelling 8hebben miskend (hetgeen niet het geval lijkt te zijn, nu het hof immers onder ogen heeft gezien dat zowel de vrouw als de bijzondere curator zich op het standpunt stelt dat van dwaling bij de man bij de erkenning geen sprake was, vgl. rov. 2.8 en 2.9), dan nog is van het voorbijgaan aan een essentiële stelling geen sprake. Het enkele feit dat de bijzondere curator, anders dan het hof, meent dat er geen sprake is geweest van dwaling bij de man ten tijde van de erkenning en de vrouw zich met het standpunt van de bijzondere curator kon verenigen, maakt het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Zie ook de subonderdelen A.2 en C.2.
stelling 9moet het middel worden nagegeven dat het hof in zijn oordeel niet kenbaar heeft betrokken de stelling van de vrouw dat het mailbericht van [betrokkene] mogelijk afkomstig is van de man zelf. Het hof heeft weliswaar onder ogen gezien dat de desbetreffende e-mail mogelijk niet afkomstig is van [betrokkene] (“[betrokkene] c.q. degene die de email van [betrokkene] aan de man heeft verstuurd”, rov. 2.14) maar uit de passage “(de vrouw ontkent deze [betrokkene] te kennen maar betwist de mail niet)” (in rov. 2.13) volgt niet (kenbaar) dat het hof in zijn oordeel (ook) heeft betrokken de stelling van de vrouw dat deze e-mail van de man zelf afkomstig kan zijn.
door –afgezien van voornoemde e-mail van [betrokkene] c.q. degene die de email van [betrokkene] heeft verstuurd –
berichten en mededelingen van de vrouw(rov. 2.14). Uit het in dat opzicht onbestreden oordeel van het hof volgt, mede gezien de stellingname van de man (zoals samengevat in rov. 2.13), dat het hof van oordeel is dat de berichten en mededelingen van vrouw aan de man tot doel hadden de man van diens vaderschap te overtuigen. Dit oordeel kan de beslissing van het hof zelfstandig dragen.
subonderdelen A.2 en C.2strekken tot betoog dat juist in de situatie dat een bijzondere curator – die geacht wordt het belang van het kind te beschermen – zich verzet tegen een beroep op dwaling, [26] van het hof verwacht mag worden dat, wanneer het hof dit oordeel van de bijzondere curator (en de vrouw) niet volgt, het hof dan in ieder geval uitgebreid motiveert waarom het tot een ander oordeel komt. Het hof heeft dit echter ten onrechte niet gedaan. Dit maakt de bestreden overwegingen onjuist en/of onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd, aldus de onderdelen.
dat de vrouw gewezen heeft op berichten van de man waarin hij haar verwijt seksuele contacten met anderen te hebben gehad en dat deze berichten dateren van de periode na de erkenning waarin er opnieuw twijfels zijn ontstaan bij de man of hij de biologische vader is(rov. 2.15 (slot) van de tussenbeschikking van 4 juni 2015). Het onderdeel omvat twee ongenummerde klachten (hierna: subonderdelen B.1 en B.2)
tevensheeft gewezen op berichten van
voorde erkenning.
voorde erkenning, maar dit kan de vrouw niet baten. Op de in het middel aangegeven vindplaatsen [27] wordt vooral gewezen op de e-mail van 17 oktober 2012 en de sms-berichten van 2 en 3 november 2012. Bij de bespreking van subonderdeel A.1, voor zover betrekking hebbend op de stellingen 1 en 2, is reeds aan de orde gekomen dat het hof onder ogen heeft gezien dat de man voorafgaande aan de erkenning, meer in het bijzonder op of rond 17 oktober 2012, heeft getwijfeld aan zijn vaderschap. Deze omstandigheid is echter, zoals het hof onbestreden heeft overwogen (in rov. 2.10), niet doorslaggevend. Zoals eerder besproken (onder 3.9.7), ligt in de overwegingen van het hof besloten dat de berichten waarop de in subonderdeel A.1 genoemde stellingen 1 en 2 verder zien, voor zover de gestelde twijfel daaruit al volgt, niet dan wel in onvoldoende mate afdoen aan het oordeel van het hof dat de man is geslaagd in het door hem te leveren bewijs.
andereberichten van voor de erkenning niet voldoende kenbaar in zijn oordeel heeft betrokken, faalt deze klacht bij gebrek aan belang. Bij de bespreking van de in subonderdeel A.1 genoemde stellingen 1 en 2 is toegelicht dat het middel ten aanzien van andere berichten van voor de erkenning reeds faalt omdat het niet voldoet aan de daaraan op de voet van artikel 426a lid 2 Rv te stellen eisen. Het middel geeft niet voldoende specifiek aan uit welk(e) ander(e) bericht(en) volgt dat ’s hofs waardering van het bewijs onbegrijpelijk is en waarom. Zie hiervoor onder 3.9.3.
nade erkenning kennelijk niet van belang achtte
omdatdeze van na de erkenning dateren. Weliswaar dient bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van dwaling gekeken te worden naar het moment waarop zou zijn gedwaald, maar bij deze beoordeling kunnen weldegelijk ook berichten daterend van na de erkenning van belang zijn. Uit deze berichten kan immers ook volgen dat er ten tijde van de gestelde dwaling geen sprake was van dwaling (zoals in dit geval wegens twijfel aan de zijde van de man). Uit de motivering van het hof volgt ook niet dat het hof een en ander heeft onderkend, aldus subonderdeel B.2.
nade erkenning relevant
kunnenzijn voor beantwoording van de vraag of er sprake was van dwaling ten tijde van de erkenning. Het hof heeft immers zijn oordeel (in rov. 2.14) mede gebaseerd op vier berichten van 19 februari 2013, derhalve van
nade erkenning. Verder volgt ook uit rov. 2.15, eerste twee volzinnen (“De vrouw heeft … de uitdraai staat’’) dat het hof onderkent dat ook berichten van na de erkenning relevant kunnen zijn. Dat het hof heeft overwogen dat de (overige) berichten waarop de vrouw een beroep heeft gedaan ter onderbouwing van haar stelling in kwestie dateren uit een periode van na de erkenning waarin er
opnieuwtwijfels zijn ontstaan bij de man (en deze berichten daarom niet of onvoldoende ter zake dienend zijn, zie onder 3.12.3) maakt het vorenstaande niet anders.
voortbouwende klachtop p. 6 van het verzoekschrift faalt eveneens.
4.Beoordeling van het incidenteel cassatieberoep
“omdat het hof de bijzondere curator niet de gelegenheid heeft gegeven om nader schriftelijk te reageren"(rov. 2.6 van de eindbeschikking van 29 maart 2016).
nietwas weggenomen. Het betoog van de bijzondere curator is dan ook geheel gezet in de sleutel van en mondt uit in een verzoek aan het hof om terug te komen van zijn bij beschikking van 4 juni 2015 gegeven beslissing dat de man heeft bewezen ten tijde van de erkenning overtuigd te zijn van zijn biologisch vaderschap. De brief van de bijzondere curator behelst derhalve uitsluitend het verzoek om terug te komen van de bindende eindbeslissing betreffende de gestelde dwaling.
nietheeft uitgelaten over de met de beschikking van 4 juni 2015 voorgelegde vraag of de vrouw al dan niet haar medewerking aan een DNA-onderzoek moet verlenen, kan deze niet worden gekwalificeerd als een relevante reactie en valt niet in te zien hoe deze kan bijdragen aan een andersluidende beslissing betreffende het bewijs van het biologisch vaderschap. De klachten van onderdeel I falen dan ook bij gebrek aan belang.
nade datum van de erkenning op die enkele grond geen gewicht in de schaal kunnen leggen. Het hof heeft wel degelijk onderkend dat ook berichten van
nade erkenning relevant kunnen zijn voor beantwoording van de vraag of er sprake was van dwaling en heeft in zijn oordeel ook daadwerkelijk berichten van
nade erkenning betrokken. Zie hieromtrent nader subonderdeel B.2 van het principaal cassatieberoep.
kanvolgen dat er ten tijde van de erkenning geen sprake was van dwaling (hetgeen het hof niet heeft miskend). Het middel stelt echter niet
dateen dergelijke conclusie hier door het hof getrokken had moeten worden, noch wordt toegelicht welk(e) bericht(en) tot die conclusie zou(den) moeten leiden en waarom. Het middel voldoet op dat punt niet aan de daaraan ingevolge artikel 426a lid 2 Rv te stellen eisen.