Conclusie
1.[eiseres 1] ,
[eiser 2] ,
[eiser 3] ,
AG Financial Services B.V.,
AG Beheer B.V.,
A.G. Vastgoed B.V.,
HEGO Bouwstoffen B.V.,
United P&O Adviesgroep B.V.,
oktober 2009 is deze vordering van Ballast toegewezen voor het door Ballast gevorderde bedrag.
Hego is niet slechts opgezet als een doorgeefluik tussen ENCI en Ballast, maar een reeds jaren bestaande onderneming met veel meer leveranciers dan ENCI en veel meer afnemers dan Ballast;
Zo sprake is van schade dient deze te worden berekend over de periode 1995 - 2002, en niet 1 juni 1991-
31 december 2002 zoals Ballast veronderstelt, aangezien vóór 1995 geen leveringen door Hego aan Ballast hebben plaatsgevonden;
Door Hego werd aan Ballast geleverd tegen gemiddeld lagere prijzen dan de prijzen die aan overige afnemers van Hego werden berekend. Hierdoor komt een schade van € 1,39, € 0,94 of € 0,45 per geleverde ton, zoals door Ballast subsidiair, meer subsidiair en uiterst subsidiair gesteld, niet aannemelijk voor;
Mocht sprake zijn van schade per door ENCI geleverde ton cement, dan dient een dergelijke schade te worden berekend op basis van een geleverde tonnage van 25.800 ton over de periode 1995 - 2002, en niet op basis van een tonnage van 405.576 zoals Ballast veronderstelt;
Door Ballast wordt gesteld dat zij na beëindiging van de relatie met Hego is overgestapt op directe levering door ENCI, hetgeen zou hebben geresulteerd in een voordeel van € 500.000 per jaar. Dit bedrag is door Ballast niet onderbouwd met bewijsstukken. De stelling van Ballast komt er op neer dat het voor Ballast - voor een bedrag van € 500.000 per jaar - nadelig was om via Hego in te kopen. Uit de analyse in hoofdstuk 15 van dit rapport is gebleken dat het voor Ballast juist voordelig was om via Hego in te kopen ten opzichte van rechtstreeks bij ENCI inkopen, zodat de door Ballast gestelde schade niet aannemelijk voorkomt.”
van omkoping (uw opdrachtgever Hego gebruikte in haar eigen administratie zelf nota bene termen als "steekpenningen").
namens [eisers 2 t/m 8] is geïntroduceerd in de procedure voor de Rechtbank Arnhem die heeft geleid tot het vonnis van7
oktober 2009. In alinea 3.2.6 van de Conclusie van Antwoord van [eisers 2 t/m 8] is immers gesteld:
tijddruk aangeboden dat wij de kamer even zouden verlaten zodat dit overleg kon plaatsvinden. Van die gelegenheid maakte U geen gebruik. Wel bood [betrokkene 6] aan de stukken de volgende dag tijd bij mij op kantoor te brengen. Uw mededeling van gisteren aan het eind van de dag dat de stukken zouden worden "verzameld" en op korte termijn per koerier zouden worden aangeleverd stak niet alleen enigszins mager af bij wat de vorige dag in het vooruitzicht was gesteld maar is bovendien niet waargemaakt. Ik heb de stukken immers nog steeds niet ontvangen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
sc.de Arnhemse procedure tegen Ballast Nedam, A-G], welk verzoek eerst op 13 december 2010 tot de (niet integrale) ontvangst van de desbetreffende processtukken heeft geleid. Dat PWC reeds beschikte over alle relevante stukken is door [eiseres 1] en [eisers 2 t/m 8] onvoldoende feitelijk onderbouwd.
eerste stellingis dat PWC ermee bekend was dat Hego ervan werd beschuldigd (indirect) betrokken te zijn geweest bij een cementkartel, nu deze beschuldiging besloten ligt in de opdracht aan PWC [7] . Hier wreekt zich het niet goed onderscheiden tussen de basis van de Arnhemse zaak, te weten “prijsafspraken” tussen ex Ballast Nedam directeur [betrokkene 2] en [eisers 2 t/m 8] en de vraag of Hego onder invloed staat van een eventueel cementkartel. Het hof heeft als meer doorslaggevend geoordeeld dat [eisers 2 t/m 8] bij aanvang van de opdracht hebben meegedeeld aan PWC dat Hego onafhankelijk was in laatstbedoelde zin. Zo dit uitgangspunt al niet enigszins voor zich spreekt, is het belang van deze onafhankelijke positie door [eiser] c.s. in de procedure benadrukt bij antwoord 13-14, grieven 15-19, 24 en 56 en plta. h.b. 4-5. Van onbegrijpelijkheid is geen sprake.
derde stelling: zelfs als PWC’s positie wordt gevolgd dat Hego geen onafhankelijke partij zou zijn, kunnen de conclusies van het rapport zonder meer overeind blijven [9] en van de
vierde stellingdat de relevantie/betrouwbaarheid van het rapport niet stond of viel met het uitgangspunt dat Hego onafhankelijk was [10] .
stelling 6wordt opgevoerd dat “derhalve” het verwijt niet op gaat dat [eisers 2 t/m 8] PWC zelf op een dwaalspoor hebben gezet door haar actief verkeerd te informeren en essentiële informatie te verzwijgen, terwijl zij wisten dat die informatie voor PWC een wezenlijk uitgangspunt voor het rapport vormde [12] . Dat mist blijkens het woordje “derhalve” zelfstandige betekenis, nu de voorgaande motiveringsklachten niet opgaan; verwerping ervan ligt in het voorgaande besloten.
subonderdeel atreft naar ik meen geen doel door gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan de klacht veronderstelt, is niet miskend dat onder omstandigheden ook na een expliciete mededeling een gehoudenheid tot het zelf verrichten van onderzoek kan bestaan, met name wanneer een partij in het licht van de omstandigheden reden had tot twijfel over de ware stand van zaken. Het uitgangspunt van dit subonderdeel – dat overigens juist is [14] – is door het hof volgens mij niet miskend. Het hof heeft juist geoordeeld dat
in beginselop een dergelijke expliciet gedane mededeling mag worden afgegaan, dat
onder omstandighedeneen onderzoekplicht kan rusten op de wederpartij, maar dat een dergelijke onderzoekplicht
in dit concrete gevalniet zo ver gaat dat PWC gehouden was een haar gedane mededeling zoals de onderhavige na te trekken.
ditvoor de gerede twijfel heeft gezorgd die de intrekking van het rapport rechtvaardigde. Gezien het feit dat in de door [eiser] c.s. aangedragen stellingen en omstandigheden ook niet wordt gesproken over banden tussen Hego en ENCI/ [B] (behoudens stelling (iii) aangevoerd in subonderdeel a van onderdeel 3, waar ik bij de behandeling van die klacht op terugkom), is dit oordeel niet rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk. Bij grieven onder 23 heeft PWC uiteengezet dat zij uit de “Stibbe stukken” heeft opgemaakt dat Hego via de aandeelverhoudingen in haar moedermaatschappij NCD mogelijk niet onafhankelijk was van cementleveranciers en mogelijke betrokkenen bij een cementproducentenkartel, omdat leverancier [C] van Hego 34% van de aandelen hield in NCD en tevens aandeelhouder was van ENCI, een ook volgens [eisers 2 t/m 8] mogelijke “kartellist”, zodat Hego mogelijk onder invloed stond van dit beweerdelijke kartel. Ook Hego’s leverancier [B] was aandeelhouder van NCD (54%), zodat Hego ook tegenover deze leverancier mogelijk niet onafhankelijk was. Het feitelijke oordeel van het hof dat dit op deze manier niet voor PWC was te achterhalen uit de haar ter beschikking gestelde gedingstukken ten tijde van de opdrachtaanvaarding en dat zij mocht afgaan op de uitdrukkelijke mededeling zijdens [eisers 2 t/m 8] dat van betrokkenheid van Hego bij een cementproducentenkartel geen sprake was, is in dit licht naar mij voorkomt niet onbegrijpelijk te achten.
subonderdeel ddat te meer reden voor onderzoek naar onafhankelijkheid van Hego op zijn plaats is, nu dit volgens rov. 3.5 van wezenlijk belang is en naar [eiser] c.s. hebben gesteld een nader onderzoek daar naar zeer eenvoudig was, faalt in het licht van wat ik bij subonderdeel b heb behandeld ook. In rov. 3.5 geeft het hof kennelijk te kennen dat het alle aspecten in zijn oordeel heeft betrokken.
is gebleken, maar (slechts) omdat er
twijfelzou zijn gerezen over de onafhankelijkheid van Hego. Door hier niets over op te merken, kleeft een motiveringsgebrek aan zijn eindoordeel dat geen sprake is van een tekortkoming dan wel een onrechtmatige daad. Bovendien is deze slotsom innerlijk tegenstrijdig met het oordeel in rov. 3.5 nu het hof daarin oordeelt dat intrekking slechts gerechtvaardigd zou zijn bij
gebleken onjuistheidvan de gedane mededeling.
subonderdeel bwordt met een rechts- en motiveringsklacht geklaagd over het passeren van het bewijsaanbod van [eiser] c.s. bij grieven onder 53 [29] in rov. 3.8. Nu dit door het hof op de stelplicht is en kon worden afgedaan, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Ook deze klacht faalt daarom.
subonderdeel cis de eerste volzin van rov. 3.6 over onvoldoende wetenschap voorafgaand aan de sommatiebrief van Stibbe ook onbegrijpelijk in het licht van de gestelde, maar ongemotiveerd gepasseerde omstandigheden dat PWC als 30 jaar huisaccountant en fiscaal- en bedrijfsadviseur was van Hego en haar ook begeleidde en adviseerde in aandelentransacties, zodat zij volledig op de hoogte was van de eigendomspositie van de aandelen en het reilen en zeilen van Hego. Nog ervan afgezien dat deze stellingen door PWC zijn weersproken bij grieven onder 58 met de stellingname dat deze mogelijk bij andere onderdelen van PWC voorhanden informatie op grond van beroepsregels niet zomaar mag worden gedeeld met PWC (en de kennelijke gedachte bij het hof heeft voorgezeten dat het enkele voorhanden zijn van structuurinformatie bij die andere onderdelen op zich niet voldoende concludent is), gaat het hier andermaal om een waarderingskwestie voorbehouden aan het hof als feitenrechter. Onbegrijpelijk is dit niet, omdat de opgevoerde stellingen van [eiser] c.s. niet specifiek (genoeg) aanvoeren dat PWC op de hoogte had moeten zijn van de relatie tussen Hego met [B] en [C] en zodoende met ENCI.
allerelevante stukken is dan ook niet onbegrijpelijk. Het is evenmin onbegrijpelijk dat het hof waarde heeft toegekend aan het feit dat PWC heeft gewezen op het door haar gedane verzoek om kennis te mogen nemen van het volledige procesdossier (welk verzoek pas om 13 december 2010 heeft geleid tot de (niet integrale) ontvangst van de desbetreffende processtukken), nu dit bijdraagt aan het oordeel dat de gerezen twijfel over de onafhankelijke positie van Hego niet door [eiser] c.s. is weggenomen. In dit oordeel van het hof ligt de verwerping van de stelling van [eiser] c.s. besloten dat het verzoek het volledige procesdossier te ontvangen een gelegenheidsargument betrof.
subonderdeel cis gericht tegen de waarde die het hof toekent aan de feitelijke ontvangst van de processtukken op 13 december 2010, nu [eiser] c.s. hebben betwist dat in der partijen bespreking op 8 december 2010 zou zijn afgesproken dat de stukken uiterlijk 9 december 2010 ter beschikking van PWC dienden te staan, hebben aangevoerd dat zij toezending van die stukken niet hebben getraineerd of tegengewerkt en de late bezorging te wijten was aan extreem winterweer. Ook dit laatste subonderdeel treft volgens mij geen doel. Het hof oordeelt niet dat afspraak was dat deze stukken al eerder zou worden ontvangen, zoals het subonderdeel kennelijk veronderstelt. Het hof overweegt alleen dat het verzoek van PWC van 25 november 2010 pas enkele weken later tot ontvangst van het (niet volledige) procesdossier heeft geleid, wat “onder meer” bijdraagt aan de overweging dat [eiser] c.s. de gerezen twijfel over de onafhankelijke positie van Hego niet (tijdig en adequaat) hebben weggenomen. Dat acht ik niet onbegrijpelijk. De in subonderdeel c nog aangehaalde stelling dat sprake was van bezorgingsvertraging door overmacht in de vorm van extreem winterweer, komt niet relevant voor – nog daargelaten dat door PWC onderbouwd is weersproken dat toen van zulk weer sprake was [40] .