Conclusie
( [1] )
1.Feiten en procesverloop
- i) Kippersluis is in 2006 in een winkelruimte aan de Biltstraat 74 in Utrecht een supermarkt gaan exploiteren. In verband daarmee heeft zij met één van de rechtsvoorgangers van Jumbo (die rechtsvoorgangers hierna tezamen Super de Boer te noemen) drie overeenkomsten gesloten, te weten: een onderhuurovereenkomst
- ii) De samenwerkingsovereenkomst en de formule-overeenkomst bevatten afspraken tussen Kippersluis en Super de Boer over hun samenwerking bij de exploitatie van de supermarkt door Kippersluis in de door haar van Super de Boer gehuurde winkelruimte. Kort samengevat houdt die samenwerking in dat Kippersluis bij Super de Boer producten afneemt en gebruik maakt van de winkelformules en detailhandelsdiensten van Super de Boer.
- iii) De overeenkomst waarbij de winkelruimte aan Kippersluis in onderhuur is gegeven, is gesloten voor de periode van 1 mei 2006 tot 30 september 2011 en vervolgens verlengd tot en met 30 september 2016. Verder is in artikel 1.3 van die overeenkomst de volgende, zogeheten koppelingsbepaling opgenomen:
- iv) Tussen partijen is onenigheid ontstaan over het voornemen van Super de Boer om de supermarkt van Kippersluis onder te brengen bij de supermarktketen C1000. In verband daarmee heeft Super de Boer Kippersluis verzocht gegevens aan C1000 te verstrekken, zodat C1000 een omzetprognose kon maken. Kippersluis wilde hieraan niet meewerken. In een brief van 15 oktober 2010 van haar raadsman heeft Super de Boer aan Kippersluis doen weten, dat de samenwerking- en formule-overeenkomst per 1 november 2011 worden opgezegd voor het geval dat Kippersluis bij haar weigering zou blijven. Dit laatste is het geval geweest. Over deze opzegging heeft de rechtbank te ’s-Hertogenbosch in een vonnis van 6 juli 2011 geoordeeld dat, wegens aanvaarding door Kippersluis van de opzegging, die opzegging een feit was, waarop alleen met instemming van Kippersluis kon worden teruggekomen. Tegen dat vonnis is geen hoger beroep ingesteld.
- v) Super de Boer heeft vervolgens Kippersluis verzocht om haar supermarkt conform de Jumbo-formule te gaan exploiteren. Daarmee heeft Kippersluis ook niet ingestemd.
- vi) Bij brief van 21 juli 2011 heeft Super de Boer de huurovereenkomst tegen 30 september 2016 opgezegd op grond van dringend eigen gebruik, slechte bedrijfsvoering van Kippersluis en een belangenafweging. In een brief van 28 oktober 2011 aan Kippersluis
- vii) Vanaf begin november 2011 is Kippersluis haar supermarkt in het gehuurde onder eigen naam gaan drijven.
- viii) In mei 2012 heeft er bij Kippersluis een inval van de FIOD plaatsgevonden. Super de Boer heeft begin 2013 de beschikking gekregen over door de FIOD opgemaakte processen-verbaal, waaruit blijkt dat de bestuurders van Kippersluis omzet hebben achtergehouden voor de fiscus. Over de achtergehouden omzet is geen franchise fee aan Super de Boer afgedragen.
- ix) Kippersluis heeft de winkelruimte per 14 augustus 2013 verlaten. Dit is gebeurd nadat de hoofdverhuurder van de winkelruimte, [betrokkene] , op grond van een vonnis d.d. 24 april 2013 van de rechtbank Midden-Nederland aan Super de Boer de ontruiming van de winkelruimte met inbegrip van de onderhuurder tegen 11 juli 2013 had aangezegd en in het kader van een kort geding het hof Arnhem-Leeuwarden die termijn bij arrest van 16 juli 2013 tot 15 augustus 2013 had verlengd. In genoemd vonnis d.d. 24 april 2013 is op vordering van [betrokkene] de hoofdhuurovereenkomst ontbonden verklaard, omdat Super de Boer jegens [betrokkene] tekortschoot in de verplichting om, kort gezegd, de winkelruimte alleen in onderhuur te geven aan een franchisenemer. Vanaf 1 november 2011 bezat Kippersluis niet meer die hoedanigheid.
- x) [betrokkene] heeft een nieuwe huurovereenkomst gesloten met Jumbo. Vanaf begin september 2013 is er in de winkelruimte aan de Biltstraat een Jumbo filiaal gevestigd.
- xi) In januari 2014 is Super de Boer gefuseerd met Jumbo, waarbij Super de Boer de verdwijnende, en Jumbo de verkrijgende vennootschap was.
( [3] )Na de op 12 juni 2015 gehouden pleidooien spreekt het hof Arnhem-Leeuwarden op 8 september 2015 zijn eindarrest uit. Daarbij vernietigt het hof het eindvonnis van de rechtbank en wijst het alsnog de vordering tot ontbinding van de onderhuurovereenkomst tussen partijen toe. Het hof laat de ontbinding per de datum van het uitspreken van zijn arrest ingaan. De rechtvaardiging voor de ontbinding acht het hof niet gelegen in de weigering van Kippersluis om mee te werken aan de overname van haar supermarkt door C1000 of het overgaan op een exploitatie van de supermarkt conform de Jumbo-formule. Tot die medewerking was Kippersluis naar het oordeel van het hof niet gehouden, omdat de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen, zoals in het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 6 juli 2011 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch beslist, voor per 1 november 2011 beëindigd moet worden gehouden als gevolg van de opzegging ervan door Super de Boer in oktober 2010 en de aanvaarding van die opzegging door Kippersluis (rov. 3.6 t/m 3.13). De grond voor ontbinding acht het hof in de eerste plaats gelegen in de fraude die bij Kippersluis jarenlang heeft plaatsgevonden, ook in de periode vóór het einde per 1 november 2011 van de samenwerkingsovereenkomst. Die fraude, die bestaan heeft uit het achterhouden van omzet, heeft als gevolg gehad dat aan Super de Boer franchise fee, waarop zij aanspraak kon maken, niet is uitbetaald, dat Super de Boer imagoschade lijdt en dat het noodzakelijke onderlinge vertrouwen is geschaad (rov. 3.14 t/m 3.21). Ontbinding acht het hof ook gerechtvaardigd wegens een in de periode juli 2013 tot 14 augustus 2014 bij Kippersluis ontstane achterstand in de betaling van huursommen ten bedrage van € 33.000,- (rov. 3.22).
2.Bespreking van het principaal cassatie beroep
subonderdeel 3astrekt ertoe dat het hof ten onrechte de jarenlange praktijk bij Kippersluis van het buiten de boeken houden van omzet als fraude heeft aangemerkt. Daarbij wordt onder verwijzing naar rov. 3.15 ervan uitgegaan dat het hof met het kwalificeren van genoemd gedrag als fraude een strafrechtelijke kwalificatie van het gedrag van Kippersluis heeft gegeven. Door dat te doen heeft het hof, zo wordt gesteld, het recht geschonden. Het hof heeft met zijn kwalificatie afbreuk gedaan aan de in artikel 6 EVRM Pro verankerde onschuldpresumptie en miskend dat de vraag of er sprake is van fraude nog beoordeeld moet worden in een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de strafrechter of belastingrechter.
( [4] )Ter verwerping van dat verweer geeft het hof in rov. 3.15 niet meer te verstaan dan – en dan nog slechts in algemene zin – dat het ontbreken van een vonnis van de strafrechter er niet in de weg staat dat (in een civielrechtelijke procedure) een strafbaar feit, d.w.z. een feit waaraan het strafrecht een straf verbindt, kan worden aangenomen. Hieruit valt niet uit af te leiden dat het hof de bij Kippersluis aanwezig geachte fraude ook daadwerkelijk als een strafbaar feit heeft aangemerkt. Dat is al niet aannemelijk, omdat fraude in het strafrecht niet in algemene zin als een strafbaar feit (strafdelict) wordt opgevat. Maar bovendien zet het hof ook niet nader uiteen dat en waarom de bij Kippersluis aanwezig geachte fraude een strafbaar feit zou zijn. Kortom, er wordt in subonderdeel 3a ten onrechte van uitgegaan dat het hof met het bezigen van de term ‘fraude’ een strafrechtelijke kwalificatie geeft.
in subonderdeel 3blijkt in te houden dat het hof ten onrechte aan de door Super de Boer in het geding gebrachte FIOD-documenten dwingende bewijskracht heeft toegekend en daarmee geen ruimte voor tegenbewijs tegen die stukken aanwezig heeft geacht. Waaruit van deze opvatting van het hof zou blijken wordt niet, althans niet voldoende duidelijk aangegeven. Van genoemde opvatting geeft het hof, naar het voorkomt, in de rov. 3.14 t/m 3.21 ook geen blijk. De klacht in subonderdeel 3a mist dan ook feitelijke grondslag en daarmee doel.
subonderdeel 3cwordt erover geklaagd dat hof ten onrechte de in onderdeel 3a vermelde omstandigheden inzake fraude als vaststaande feiten heeft aangemerkt en tot uitgangspunt heeft genomen.
subonderdeel awordt aangevoerd, kort gezegd, dat het hof heeft miskend dat na het geëindigd zijn van de samenwerkingsovereenkomst per 1 november 2011 als gevolg van de opzegging van die overeenkomst door Super de Boer in oktober 2010 aan de koppelingsbepaling geen werking meer toekwam, ook niet ten aanzien van een wanprestatie onder de samenwerkingsovereenkomst van vóór 1 november 2011. In ieder geval heeft het hof onvoldoende gemotiveerd dat aan de koppelingsbepaling nog toepassing is te geven ten aanzien van gedragingen van vóór 1 november 2011.
( [5] )Als zodanig geldt in ieder geval niet de enkele bewering dat de koppelingsbepaling vanaf november 2011 rechtens niet meer gold. Die bewering gaat reeds niet op, nu de koppelingsbepaling is opgenomen in de onderhuurovereenkomst en niet in de samenwerkingsovereenkomst. In dat licht gezien, bestond er voor het hof ook geen aanleiding om nader toe te lichten dat en waarom ter zake van de wanprestatie van Kippersluis onder de samenwerkingsovereenkomst vóór 1 november 2011 nog een beroep op de koppelingsbepaling kan worden gedaan in verband met de vraag of er ook sprake is geweest van wanprestatie van Kippersluis onder de onderhuurovereenkomst vóór 1 november 2011.
subonderdeel bwordt erover geklaagd dat het hof in rov. 3.24 met het overnemen van het oordeel van de kantonrechter in rov. 4.3 van zijn vonnis dat de koppelingsbepaling niet valt onder de bedingen als bedoeld in artikel 7:291 BW Pro en daarmee niet vernietigbaar is, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
“Van de bepalingen van deze afdeling kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken.”Aan de afwijking van de bepalingen in de afdeling 6 is de sanctie van vernietigbaarheid verbonden, tenzij voor het beding met de afwijking een goedkeuring van de rechter is verkregen, aldus lid 2 van artikel 7:291 BW Pro. Er komen in afdeling 6 geen bepalingen voor die betrekking hebben op de vraag wanneer een huurder geacht wordt toerekenbaar tekort te schieten in zijn verplichtingen en welke rechten de verhuurder tegen de huurder heeft in geval van toerekenbaar te kortschieten van de huurder. Gelet op de in artikel 7:291 lid 1 BW Pro voorziene begrenzing moet, zoals ook het hof in navolging van de rechtbank doet, aangenomen worden dat de koppelingsbepaling niet onder de werking van artikel 7:291 BW Pro valt. De klacht in subonderdeel b faalt dan ook.
subonderdeel cstoelt op het uitgangspunt
“dat de algehele ontbinding van de (onder)huurovereenkomst voor de periode vanaf 1 november niet meer kan worden gegrond op de koppelingsbepaling van art. 1.3 van de onderhuurovereenkomst.”Daarvan uitgaande wordt betoogd dat het hof heeft miskend dat een tekortkoming onder de samenwerkingsovereenkomst in de periode vóór 1 november 2011 hooguit een gedeeltelijke, in tijd beperkte ontbinding van de onderhuurovereenkomst zou hebben kunnen recht-vaardigen. Met dit laatste wordt kennelijk bedoeld een ontbinding van de onderhuur-overeenkomst tot 1 november 2011.
( [6] )Dat verweer komt erop neer dat Super de Boer ervan op de hoogte was dat 125 van de 150 franchise ondernemers fraudeerden, dat Jumbo met velen van hen nog een relatie onderhoudt en dat de werkelijke fraudebedragen verwaarloosbaar zijn. Het verweer verwerpt het hof in de met elkaaar samenhangende rov. 3.18 t/m 3.21. In rov. 3.18 licht het hof toe waarom het beroep op wetenschap bij Super de Boer van het frauderen Kippersluis niet kan baten. In de rov. 3.19 en 3.20 zet het hof nader uiteen dat en waarom de fraude bij Kippersluis niet als onbeduidend is op te vatten. Zo merkt het hof in rov. 3.19 op dat Kippersluis met vijf andere franchisenemers aanzienlijk meer gefraudeerd heeft dan andere franchisenemers, dat Kippersluis en die vijf andere franchisenemers strafrechtelijk worden onderzocht en waarschijnlijk vervolgd en dat Jumbo van vier van die andere vijf franchisenemers afscheid heeft genomen. In rov. 3.20 overweegt het hof dat er bij Kippersluis sprake is geweest van langdurige en structurele fraude met een relatief grote omvang. Het hof sluit in rov. 3.21 af met de conclusie,
“dat Kippersluis door het achterhouden van franchisefees, de toegebrachte imagoschade en het geschonden vertrouwen toerekenbaar tekortgeschoten is in de samenwerkingsovereenkomst. Deze tekortkoming rechtvaardigt de ontbinding van de onderhuurovereenkomst.”
( [7] )Ter zake van een bevrijdend verweer rust de stel- en bewijslast op degene die het verweer voert, dus hier op Kippersluis.
( [8] )Wil het verweer doel treffen dan zullen, gezien de ernst van de fraude bij Kippersluis waarvan het hof uitgaat, feiten moeten worden gesteld (en komen vast te staan) die erop wijzen dat er bij Super de Boer wetenschap was van het bestaan van die ernstige vorm van fraude bij Kippersluis en dat die wetenschap op een zodanige wijze en in een zodanige omvang bij leidinggevenden van Super de Boer bekend was, dat gezegd kan worden dat dat frauderen – al dan niet stilzwijgend – de instemming of goedkeuring van Super de Boer had. Het onderhavige geval vormt niet een geval met aan de zijde van Jumbo en Kippersluis zodanig bijzondere omstandigheden dat er aanleiding bestaat om de stelplicht van Kippersluis te verlichten door hogere eisen te stellen aan de motivering van de betwisting van Super de Boer/Jumbo.
( [9] )Met de enkele bewering dat de door Kippersluis gestelde feiten
“in het feitelijke domein van Super de Boer (Jumbo) liggen”, wordt, in het geval dat bij de leiding van Super de Boer de fraude zoals door Kippersluis gepleegd bekend was, niet voldoende aannemelijk gemaakt dat en waarom het voor Kippersluis niet mogelijk was om aan te geven wie bij de leiding van Super de Boer van
diefraude kennis moet hebben gedragen. Bij het hof is dat ook niet belicht. In de wet noch in de door Kippersluis genoemde HR-uitspraken is er voor het door Kippersluis in cassatie ingenomen standpunt voldoende steun te vinden. Op een en ander strandt de rechtsklacht in subonderdeel a.
subonderdeel bworden bestreden de overwegingen van het hof in rov. 3.19 dat
“onbetwist is gebleven dat Jumbo afscheid heeft genomen van vier beweerdelijk grote fraudeurs”en dat
“Jumbo voldoende afstand heeft genomen van de franchisenemers die op grote schaal hebben gefraudeerd”.Onder verwijzing naar in appel naar voren gebrachte stellingen worden deze overwegingen als strijdig met artikel 24 Rv Pro en onbegrijpelijk aangemerkt.
“In elk geval is hetgeen Kippersluis heeft aangevoerd omtrent de andere frauderende franchisenemers geen vrijbrief voor de eigen fraude.”Hiermee geeft het hof te kennen dat naar zijn oordeel de bij Kippersluis plaatsgevonden hebbende fraude ook los van de opstelling van Jumbo tegenover de andere franchisenemers een tegenover Super de Boer niet toelaatbaar gedrag vormt. Dit betekent dat de bestreden overwegingen de conclusie, die in rov. 3.21 wordt getrokken, niet echt mede dragen. Daardoor slaagt de klacht in subonderdeel b niet wegens gemis aan belang.
subonderdeel cis een klacht opgenomen tegen het hetgeen het hof in de slotzin van rov. 3.20 overweegt. De klacht slaagt reeds niet omdat zij niet aan de aan een cassatieklacht te stellen eisen voldoet. Met
“hetgeen hiervóór onder 1 t/m 5.b is aangevoerd”wordt niet voldoende duidelijk gemaakt waarom het in genoemde slotzin overwogene onjuist dan wel onbegrijpelijk is.
( [10] )Ook tegen die ontbindingsgrond heeft Kippersluis verweer gevoerd. Dat verweer komt, kort gezegd, hierop neer dat het aan een onvoldoende opkomen door Super de Boer voor de belangen van Kippersluis bij de hoofdverhuurder is te wijten dat het tot een ontruiming van het gehuurde door de hoofdverhuurder is gekomen, dat dit tekortschieten en het vanaf juli 2013 niet meer verschaffen van ongestoord huurgenot een schuldeisersverzuim van Super de Boer is geweest wat een opschorting van de betaling van de huursom rechtvaardigde en dat Kippersluis als gevolg van het tekortschieten van Super de Boer schade heeft geleden waarmee de achterstallige huursom kan worden verrekend.
( [11] )Het hof oordeelt naar aanleiding hiervan in rov. 3.22:
“Daarnaast heeft Kippersluis een forse betalingsachterstand (bijna € 33.000) over de periode van begin juli 2013 tot aan de ontruiming op 14 augustus 2013, die eveneens de ontbinding rechtvaardigt. Op grond van het bovenstaande valt niet in te zien dat Kippersluis (zodanige) vorderingen op Jumbo heeft op grond waarvan zij gerechtigd is tot opschorting en verrekening.”