Conclusie
( [1] )
1.Feiten en procesverloop
- i) Kippersluis heeft vanaf 1974 winkelruimte aan de Leusderweg nr. 146 te Amersfoort in onderhuur ter exploitatie aldaar van een supermarkt. In 2004 is met haar een nieuwe overeenkomst van onderhuur gesloten met een looptijd tot in beginsel 30 juni 2014. Is de overeenkomst niet tegen die datum opgezegd dan loopt deze door voor telkens een periode van vijf jaren zolang geen opzegging tegen het einde van een dergelijke periode heeft plaatsgevonden. Als onderverhuurder zijn diverse rechtsvoorgangers van Jumbo opgetreden (de rechtsvoorgangers hierna tezamen Super de Boer te noemen).
- ii) Tussen de laatste rechtsvoorganger, Super de Boer Winkel B.V., en Jumbo heeft in januari 2014 een juridische fusie plaatsgevonden, waarbij Jumbo als de verkrijgende en Super de Boer Winkel B.V. als de verdwijnende vennootschap is opgetreden.
- iii) In 1975 heeft Kippersluis met betrekking tot de exploitatie van de supermarkt door haar in genoemde winkelruimte met Super de Boer ook een samenwerkingsovereenkomst gesloten. Die overeenkomst bracht mee dat Kippersluis de supermarkt conform de Super de Boer-formule zou exploiteren. In verband met de samenwerkingsovereenkomst is in de onderhuurovereenkomst van 2004 de volgende ‘koppelingsbepaling’ opgenomen:
- iv) Er is tussen Super de Boer en Kippersluis onenigheid ontstaan in verband met plannen van eerstgenoemde om de supermarkt van laatstgenoemde te laten opgaan in de supermarktketen C1000. Kippersluis kon zich niet vinden in die plannen en wenste geen medewerking in de vorm van het verstrekken van financiële gegevens te geven. Dit heeft Super de Boer ertoe gebracht om haar raadsman in een faxbrief van 15 oktober 2010 aan de raadsman van Kippersluis te doen berichten dat de samenwerkingsovereenkomst per 1 november 2011 wordt opgezegd voor het geval Kippersluis van de gewenste medewerking blijft afzien. In een faxbrief van 4 november 2010 heeft de raadsman van Kippersluis aan de raadsman van Super de Boer bericht dat Kippersluis zich niet verplicht voelt om aan een overdracht aan C1000 mee te werken en dat opzegging in de faxbrief van 15 oktober 2010 impliceert het eindigen van de samenwerkingsovereenkomst per 1 november 2011. Op die vaststelling is van de zijde van de raadsman van Super de Boer niet meer gereageerd. Aan deze gang van zaken heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch in een vonnis d.d. 6 juli 2011 de conclusie verbonden dat vanwege de instemming van Kippersluis met de opzegging ervan door Super de Boer de samenwerkingsovereenkomst per 1 november 2011 is geëindigd. Tegen dat vonnis is geen hoger beroep ingesteld.
- v) Kippersluis stemt ook niet in met het vervolgens bij Super de Boer opgekomen plan om de supermarkt van Kippersluis volgens de formule van de supermarktketen van Jumbo te gaan exploiteren.
- vi) Bij aangetekende brief van 21 juli 2011 zegt Super de Boer de huurovereenkomst tegen 30 juni 2014 op op grond van primair dringend eigen gebruik, subsidiair slecht huurderschap van Kippersluis en meer subsidiair een algemene belangenafweging.
- vii) Sinds begin november 2011 drijft Kippersluis een supermarkt in het gehuurde onder eigen naam.
( [2] )
2.Bespreking van het principaal beroep
subonderdeel 3astrekt ertoe dat het hof ten onrechte de jarenlange praktijk bij Kippersluis van het buiten de boeken houden van omzet als fraude heeft aangemerkt. Daarbij wordt onder verwijzing naar rov. 3.15 ervan uitgegaan dat het hof met het kwalificeren van genoemd gedrag als fraude een strafrechtelijke kwalificatie van het gedrag van Kippersluis heeft gegeven. Door dat te doen heeft het hof, zo wordt gesteld, het recht geschonden. Het hof heeft met zijn kwalificatie afbreuk gedaan aan de in artikel 6 EVRM Pro verankerde onschuldpresumptie en miskend dat de vraag of er sprake is van fraude nog beoordeeld moet worden in een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de strafrechter of belastingrechter.
( [3] )Ter verwerping van dat verweer geeft het hof in rov. 3.15 niet meer te verstaan dan – en dan nog slechts in algemene zin – dat het ontbreken van een vonnis van de strafrechter er niet aan in de weg staat dat (in een civielrechtelijk geding) een strafbaar feit, d.w.z. een feit waaraan het strafrecht een straf verbindt, kan worden aangenomen. Hieruit valt niet uit af te leiden dat het hof de bij Kippersluis aanwezig geachte fraude ook daadwerkelijk als een strafbaar feit heeft aangemerkt. Dat is al niet aannemelijk, omdat fraude in het strafrecht niet in algemene zin als een strafbaar feit (strafdelict) wordt opgevat. Maar bovendien zet het hof ook niet nader uiteen dat en waarom de bij Kippersluis aanwezig geachte fraude een strafbaar feit zou zijn. Kortom, er wordt in subonderdeel 3a ten onrechte van uitgegaan dat het hof met het bezigen van de term ‘fraude’ een strafrechtelijke kwalificatie geeft.
in subonderdeel 3blijkt in te houden dat het hof ten onrechte aan de door Super de Boer in het geding gebrachte FIOD-documenten dwingende bewijskracht heeft toegekend en daarmee geen ruimte voor tegenbewijs tegen die stukken aanwezig heeft geacht. Waaruit van deze opvatting van het hof zou blijken wordt niet, althans niet voldoende duidelijk aangegeven. Van genoemde opvatting geeft het hof, naar het voorkomt, in de rov. 3.14 t/m 3.21 ook geen blijk. De klacht in subonderdeel 3a mist dan ook feitelijke grondslag en daarmee doel.
subonderdeel 3cwordt erover geklaagd dat hof ten onrechte de in onderdeel 3a vermelde omstandigheden inzake fraude als vaststaande feiten heeft aangemerkt en tot uitgangspunt heeft genomen.
subonderdeel awordt aangevoerd, kort gezegd, dat het hof heeft miskend dat na het geëindigd zijn van de samenwerkingsovereenkomst per 1 november 2011 als gevolg van de opzegging van die overeenkomst door Super de Boer in oktober 2010 aan de koppelingsbepaling geen werking meer toekwam, ook niet ten aanzien van een wanprestatie onder de samenwerkingsovereenkomst van vóór 1 november 2011. In ieder geval heeft het hof onvoldoende gemotiveerd dat aan de koppelingsbepaling nog toepassing is te geven ten aanzien van gedragingen van vóór 1 november 2011.
( [4] )Als zodanig geldt in ieder geval niet de enkele bewering dat de koppelingsbepaling vanaf november 2011 rechtens niet meer gold. Die bewering gaat reeds niet op, nu de koppelingsbepaling is opgenomen in de onderhuurovereenkomst en niet in de samenwerkingsovereenkomst. In dat licht gezien, bestond er voor het hof ook geen aanleiding om nader toe te lichten dat en waarom ter zake van de wanprestatie van Kippersluis onder de samenwerkingsovereenkomst vóór 1 november 2011 nog een beroep op de koppelingsbepaling kan worden gedaan in verband met de vraag of er ook sprake is geweest van wanprestatie van Kippersluis onder de onderhuurovereenkomst vóór 1 november 2011.
subonderdeel bwordt erover geklaagd dat het hof in rov. 3.24 met het overnemen van het oordeel van de kantonrechter in rov. 4.3 van zijn vonnis dat de koppelingsbepaling niet valt onder de bedingen als bedoeld in artikel 7:291 BW Pro en daarmee niet vernietigbaar is, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
“Van de bepalingen van deze afdeling kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken.”Aan de afwijking van de bepalingen in de afdeling 6 is de sanctie van vernietigbaarheid verbonden, tenzij voor het beding met de afwijking een goedkeuring van de rechter is verkregen, aldus lid 2 van artikel 7:291 BW Pro. Er komen in afdeling 6 geen bepalingen voor die betrekking hebben op de vraag wanneer een huurder geacht wordt toerekenbaar tekort te schieten in zijn verplichtingen en welke rechten de verhuurder tegen de huurder heeft in geval van toerekenbaar te kortschieten van de huurder. Gelet op de in artikel 7:291 lid 1 BW Pro voorziene begrenzing moet, zoals ook het hof in navolging van de rechtbank doet, aangenomen worden dat de koppelingsbepaling niet onder de werking van artikel 7:291 BW Pro valt. De klacht in subonderdeel b faalt dan ook.
subonderdeel cstoelt op het uitgangspunt
“dat de algehele ontbinding van de (onder)huurovereenkomst voor de periode vanaf 1 november niet meer kan worden gegrond op de koppelingsbepaling van art. 1.3 van de onderhuurovereenkomst.”Daarvan uitgaande wordt betoogd dat het hof heeft miskend dat een tekortkoming onder de samenwerkingsovereenkomst in de periode vóór 1 november 2011 hooguit een gedeeltelijke, in tijd beperkte ontbinding van de onderhuurovereenkomst zou hebben kunnen rechtvaardigen. Met dit laatste wordt kennelijk bedoeld een ontbinding van de onderhuur-overeenkomst tot 1 november 2011.
( [5] )Dat verweer komt erop neer dat Super de Boer ervan op de hoogte was dat 125 van de 150 franchise ondernemers fraudeerden, dat Jumbo met velen van hen nog een relatie onderhoudt en dat de werkelijke fraudebedragen verwaarloosbaar zijn. Het verweer verwerpt het hof vervolgens in de met elkaar samenhangende rov. 3.18 t/m 3.21. In rov. 3.18 licht het hof toe waarom het beroep op wetenschap bij Super de Boer van het frauderen Kippersluis niet kan baten. In de rov. 3.19 en 3.20 zet het hof nader uiteen dat en waarom de fraude bij Kippersluis niet als onbeduidend is op te vatten. Zo merkt het hof in rov. 3.19 op dat Kippersluis met vijf andere franchisenemers aanzienlijk meer gefraudeerd heeft dan andere franchisenemers, dat Kippersluis en die vijf andere franchisenemers strafrechtelijk worden onderzocht en waarschijnlijk vervolgd en dat Jumbo van vier van die andere vijf franchisenemers afscheid heeft genomen. In rov. 3.20 overweegt het hof dat er bij Kippersluis sprake is geweest van langdurige en structurele fraude met een relatief grote omvang. Het hof sluit in rov. 3.21 af met de conclusie,
“dat Kippersluis door het achterhouden van franchisefees, de toegebrachte imagoschade en het geschonden vertrouwen toerekenbaar tekortgeschoten is in de samenwerkingsovereenkomst. Deze tekortkoming rechtvaardigt de ontbinding van de onderhuurovereenkomst.”
( [6] )Ter zake van een bevrijdend verweer rust de stel- en bewijslast op degene die het verweer voert, dus hier op Kippersluis.
( [7] )Wil het verweer doel treffen dan zullen, gezien de ernst van de fraude bij Kippersluis waarvan het hof uitgaat, feiten moeten worden gesteld (en komen vast te staan) die erop wijzen dat er bij Super de Boer wetenschap was van het bestaan van die ernstige vorm van fraude bij Kippersluis en dat die wetenschap op een zodanige wijze en in een zodanige omvang bij leidinggevenden van Super de Boer bekend was, dat gezegd kan worden dat dat frauderen – al dan niet stilzwijgend – de instemming of goedkeuring van Super de Boer had. Het onderhavige geval vormt niet een geval met aan de zijde van Jumbo en Kippersluis zodanig bijzondere omstandigheden dat er aanleiding bestaat om de stelplicht van Kippersluis te verlichten door hogere eisen te stellen aan de motivering van de betwisting van Super de Boer/Jumbo.
( [8] )Met de enkele bewering dat de door Kippersluis gestelde feiten
“in het feitelijke domein van Super de Boer (Jumbo) liggen”, wordt, in het geval dat bij de leiding van Super de Boer de fraude zoals door Kippersluis gepleegd bekend was, niet voldoende aannemelijk gemaakt dat en waarom het voor Kippersluis niet mogelijk was om aan te geven wie bij de leiding van Super de Boer van
diefraude wel kennis moet hebben gedragen. Bij het hof is dat ook niet toegelicht. In de wet noch in de door Kippersluis genoemde HR-uitspraken is er voor het door Kippersluis in cassatie ingenomen standpunt voldoende steun te vinden. Op een en ander strandt de rechtsklacht in subonderdeel a.
subonderdeel bworden bestreden de overwegingen van het hof in rov. 3.19 dat
“onbetwist is gebleven dat Jumbo afscheid heeft genomen van vier beweerdelijk grote fraudeurs”en dat
“Jumbo voldoende afstand heeft genomen van de franchisenemers die op grote schaal hebben gefraudeerd”.Onder verwijzing naar in appel naar voren gebrachte stellingen worden deze overwegingen als strijdig met artikel 24 Rv Pro en onbegrijpelijk aangemerkt.
“In elk geval is hetgeen Kippersluis heeft aangevoerd omtrent de andere frauderende franchisenemers geen vrijbrief voor de eigen fraude.”Hiermee geeft het hof te kennen dat naar zijn oordeel de bij Kippersluis plaatsgevonden hebbende fraude ook los van de opstelling van Jumbo tegenover de andere franchisenemers een tegenover Super de Boer niet toelaatbaar gedrag vormt. Dit betekent dat de bestreden overwegingen de conclusie, die in rov. 3.21 wordt getrokken, niet echt mede dragen. Daardoor slaagt de klacht in subonderdeel b niet wegens gemis aan belang.
subonderdeel cis een klacht opgenomen tegen het hetgeen het hof in de slotzin van rov. 3.20 overweegt. De klacht slaagt reeds niet omdat zij niet aan de aan een cassatieklacht te stellen eisen voldoet. Met
“hetgeen hiervóór onder 1 t/m 5.b is aangevoerd”wordt niet voldoende duidelijk gemaakt waarom het in genoemde slotzin overwogene onjuist dan wel onbegrijpelijk is.