Conclusie
1.Feiten en procesverloop
* [verweerder] opgedragen vanaf de datum van overlijden van [betrokkene 3] aan [eiser] rekening en
exceptio plurium litis consortiumniet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen in reconventie.
- (…)
- (…)
2.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal cassatieberoep
tweede onderdeel, dat (ook) gericht is tegen rov. 2.4 van het eindarrest, voegt hieraan het volgende toe. Op grond van art. 20 Rv Pro lid 1 dient de rechter zo nodig ambtshalve maatregelen te treffen om een onredelijke vertraging van de procedure te voorkomen. Het hof had er acht op moeten slaan dat de procedure is aangevangen op 23 oktober 2008, dat de nalatenschap ruim tien jaar voor het arrest al is opengevallen en dat partijen over een groot aantal punten verdeeld zijn. Er kan pas vereffend worden nadat in deze procedure de omvang van de nalatenschap is vastgesteld. Partijen hebben dan ook een groot belang bij een rechterlijke uitspraak over hun vorderingen, die het hof desnoods had kunnen doen onder de opschortende voorwaarde van voltooiing van de vereffening. Het gevolg van de uitspraak van het hof is dat partijen terug zijn bij ‘af’ en weer nieuwe procedures moeten starten, die mogelijk weer zo lang gaan duren. Het hof heeft onvoldoende oog gehad voor de menselijke tragedie die dit voor partijen betekent. Het hof had ook niet uitsluitend op de grondslag dat partijen niet expliciet hebben verklaard dat zij voornemens zijn op korte termijn de vereffening te voltooien of het er toe te leiden dat ondanks de geschillen de vereffening toch kan worden afgerond, de mogelijkheid van een beslissing onder opschortende voorwaarde van voltooiing van de vereffening terzijde mogen schuiven. Dit getuigt van een onjuiste opvatting van het hof over art. 20 lid 1 Rv Pro. Het onderdeel stelt ten slotte dat partijen recht hebben op een beslissing van de rechter op alle onderdelen van het petitum en erop moeten kunnen vertrouwen dat de rechter niet lichtvaardig weigert (inhoudelijk) te beslissen wanneer minder zwaarwegende oplossingen voorhanden zijn.
De wet kent drie gradaties van vereffening: de gewone vereffening, de lichte vereffening en de zware vereffening. [9] Wanneer de erfgenamen zelf optreden als vereffenaar, kan in beginsel volstaan worden met een lichte vereffeningsprocedure (art. 4:221 lid 1 BW Pro). De lichte vereffeningsprocedure verplicht slechts tot het opmaken van een onderhandse of notariële boedelbeschrijving (art. 4:211 lid 3 BW Pro), het per brief oproepen van de bekende schuldeisers en het eventueel melden van de onbekendheid van een adres (art. 4:214 lid 2 BW Pro) en, het slotstuk, de voldoening van de schuldeisers. De verplichtingen op grond van art. 4:214 lid 1 BW Pro (oproepen schuldeisers), art. 4:214 lid 5 BW Pro (ter inzage legging lijst schuldeisers) en art. 4:218 BW Pro (neerlegging rekening en verantwoording en uitdelingslijst) gelden bij een lichte vereffening alleen indien de kantonrechter dit bepaald heeft. Ook kan de kantonrechter de erfgenamen ontheffen van de verplichting om de boedelbeschrijving ter inzage te leggen (art. 4:211 lid 4 BW Pro). De vereffenaars kunnen bij de lichte vereffening de vereffening als voltooid beschouwen (en desgewenst tot verdeling overgaan) zodra zij de hun bekende schuldeisers hebben tevredengesteld. [10]
Omdat de wettelijke vereffeningprocedure een waarborg vormt voor de schuldeisers van de nalatenschap, ligt het voor de hand dat de goederen van de nalatenschap niet worden verdeeld voordat de vereffening is afgerond. Dit is dan ook het wettelijke uitgangspunt, hoewel het niet met zoveel woorden in de wet is neergelegd. [15] Het wordt echter afgeleid uit art. 4:222 BW Pro in verbinding met art. 3:178 BW Pro. Dat eerst vereffend moet worden voordat verdeeld kan worden, is ook af te leiden uit het systeem van de wet, waarin afdeling 4.6.3, ‘Vereffening van de nalatenschap’, voorafgaat aan afdeling 4.6.4, ‘Verdeling van de nalatenschap’. Het blijkt bovendien uit art. 4:203 lid 1 sub b BW Pro: verdeling vóór afronding van de vereffening is een grond voor benoeming van een vereffenaar door de rechter. De minister lichtte deze bepaling als volgt toe:
Artikel 194 lid Pro 1 (boedelbeschrijving) is overbodig naast artikel 4.5.3.8 lid 3. De bepalingen van de artikelen 195-200 tenslotte, betreffende nietige en vernietigbare verdelingen, komen niet voor toepassing tijdens vereffening in aanmerking nu verdeling eerst ná de vereffening aan de orde komt.”
Ook volgens Perrick kan al tijdens de vereffening worden overgegaan tot partiële verdeling. [22] Bij een informele vereffening staat volgens hem hoe dan ook buiten twijfel dat een partiële verdeling gedurende de vereffening met instemming van alle deelgenoten mogelijk is. Ook tijdens een wettelijke vereffening is volgens hem echter partiële verdeling mogelijk. Perrick baseert dit op art. 4:211 lid 2 BW Pro, waarin is neergelegd dat erfgenamen tijdens de vereffening beschikkingsdaden kunnen verrichten, zij het slechts met medewerking van de vereffenaar dan wel met machtiging van de kantonrechter. Nu verdeling van een goed ook een vorm van beschikken over het goed is, valt ‘verdeling van een goed’ ook onder het bereik van art. 4:211 lid 2 BW Pro, zo stelt Perrick. Dat in het algemeen geldt dat vereffening vooraf dient te gaan aan verdeling, doet daaraan volgens hem niet af. De laatste zin van de hiervoor, onder 2.9 geciteerde passage uit de wetsgeschiedenis acht Perrick niet overtuigend, omdat daarin geen aandacht is besteed aan de tweede zin van art. 4:211 lid 2 BW Pro, waarin een vorm van voortijdige verdeling is geregeld. [23] Voor een voortijdige partiële verdeling (tijdens de vereffening) is echter wel medewerking van de vereffenaar dan wel machtiging van de kantonrechter nodig. [24]
Bij beneficiaire aanvaarding bestaat een wettelijke verplichting tot vereffening, zij het dat doorgaans volstaan kan worden met een lichte vorm van vereffening. De erfgenamen kunnen zelf optreden als vereffenaar. De verplichting tot vereffening bestaat niet (onder meer) als de executeur een ‘ruimschoots toereikend verklaring’ afgeeft. In beginsel geldt dat als er een verplichting tot vereffening van de nalatenschap bestaat, de vereffening moet zijn voltooid voordat aan verdeling kan worden toegekomen. Dit volgt uit het systeem van de wet en heeft tot doel de schuldeisers van de nalatenschap te beschermen. Aannemelijk is echter dat als de nalatenschap een voldoende saldo heeft, zodat niet gevreesd hoeft te worden voor benadeling van schuldeisers, ook reeds tijdens de vereffening partieel kan worden verdeeld. Als de erfgenamen optreden als vereffenaar is daarvoor rechterlijke toestemming nodig, om te voorkomen dat sprake is van een tegenstrijdig belang. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat de nalatenschap verdeeld wordt onder de opschortende voorwaarde van vereffening.
ookdat de aangevulde rechtsgrond past binnen het partijdebat.
voor de hand lag’. Anders gezegd: het hof mocht er redelijkerwijs vanuit gaan dat die rechtsgrond paste binnen het partijdebat, mede gelet op de omstandigheid dat ook de wederpartij het partijdebat zo had kunnen of moeten opvatten. Bij de beantwoording van de vraag of het ambtshalve aanvullen van een rechtsgrond passend is, speelt bovendien mee in welk stadium de rechtsstrijd zich bevindt. [42] In het algemeen geldt dat hoe verder de rechtsstrijd is gevorderd, des te minder een uitbreiding of verlegging van de grenzen van de rechtsstrijd in de rede ligt. Voorts geldt dat de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep in belangrijke mate bepaald wordt door de grieven en het systeem van de devolutieve werking van het appel. [43] Een belangrijk gezichtspunt is ten slotte het bieden van effectieve rechtsbescherming. Wanneer het verzuim van een partij om zich te beroepen op bepaalde rechtsgronden voor vordering of verweer, tot gevolg heeft dat de rechter geen effectieve rechtsbescherming kan bieden, zal eerder kunnen worden aangenomen dat een aanvulling van de rechtsgronden op zijn plaats is en dat die aanvulling past binnen het partijdebat. De rechter zal dan zo nodig partijen kunnen uitnodigen (ook) de feitelijke gronden aan te vullen. Dit zal zich met name kunnen voordoen indien er aanleiding is voor de rechter om te voorzien in ongelijkheidscompensatie.
die strekt tot bescherming van algemene belangen van zo fundamentele aard dat zij (ongeacht het partijdebat of de bijzondere omstandigheden van het geval) altijd door de rechter moet worden toegepast.” [50] Opvallend in deze omschrijving is met name het element ‘ongeacht de bijzondere omstandigheden van het geval’; voor zover ik weet is dit niet eerder genoemd als een kenmerk van een rechtsregel van openbare orde.
* bepaalde ontvankelijkheidskwesties;
Het staat vast dat partijen geen beroep hebben gedaan op de bepaling. Ook hebben zij nergens aangevoerd dat niet verdeeld kan worden omdat eerst vereffend moet worden. Door [verweerder] is in eerste aanleg wel geconstateerd dat de nalatenschap zou moeten worden afgewikkeld op de wijze zoals bepaald in boek 4, titel 6, afdeling 3 BW (vereffening). [53] Hij merkt vervolgens op: “
Kennelijk hebben partijen, noch hun raadslieden en notarissen zich dit gerealiseerd zodat de discussie tussen partijen nu onderwerp is van een dagvaardingsprocedure. Nu de discussie zich alleen tussen de erfgenamen afspeelt en er geen andere schuldeisers bij betrokken zijn behoeft dat geen probleem te zijn.” [54] De rechtbank heeft in deze opmerking blijkbaar aanleiding gezien ter comparitie aan partijen voor te leggen of nog vereffend moet worden. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 1 oktober 2009 heeft [verweerder] toen het volgende verklaard (p. 2, punt 5): “
Het klopt dat de nalatenschap eerst door de erfgenamen moet worden vereffend, maar er zijn zoveel geschilpunten tussen partijen dat ook notaris Van Mourik daar niet uitkomt zonder dat de rechtbank eerst een beslissing heeft genomen op de vragen die verband houden met de omvang van de nalatenschap. Er zijn overigens geen verdere schulden meer.” En [eiser] en [betrokkene 1] (p. 3, punt 3): “
De rechtbank zou zelf kunnen vereffenen, alle informatie is gegeven en er zijn geen andere schuldeisers bekend.” De rechtbank heeft de kwestie hiermee kennelijk als afgedaan beschouwd. Partijen zijn er ook niet meer op teruggekomen.
Hieruit blijkt dat partijen van mening waren dat het vereffenen van de nalatenschap (a) niet mogelijk was zonder rechterlijke beslissing over de omvang van de nalatenschap, en/of (b) niet nodig was omdat er geen andere schuldeisers betrokken zijn. Partijen gingen er hierbij vanuit dat
de enige schuldeiservan de nalatenschap erfgenaam [verweerder] was. Het punt van de vereffening van de nalatenschap is door partijen dus nadrukkelijk buiten de grenzen van de rechtsstrijd gehouden.
merkte in zijn akte op dat de schulden genoemd in rov. 2.5 inderdaad niet zijn voldaan en dat er evenmin een boedelbeschrijving is opgemaakt, zodat hij er niet omheen kan dat de vereffening niet is voltooid. [56] Hij stelt geen argumenten te kunnen bedenken ter weerlegging van hetgeen het hof partijen voorhoudt, hoe vervelend de consequenties van niet-ontvankelijkheid voor alle betrokkenen ook zouden zijn. [verweerder] refereert zich – vooralsnog, zo merkt hij op – aan het oordeel van het hof omtrent de niet-ontvankelijkheid van partijen.
Ook hieruit volgt dat de ambtshalve aangevulde rechtsgrond niet aansluit bij de wens van partijen en evenmin in het verlengde ligt van hun stellingen. In zoverre kan worden geconstateerd dat de kwestie of de nalatenschap eerst vereffend moet worden voordat deze verdeeld kan worden, door partijen niet tot onderdeel van de rechtsstrijd is gemaakt.
Voltooiing van de vereffening zou in de eerste plaats meebrengen dat duidelijk is wat er tot de nalatenschap behoort (boedelbeschrijving). Dat eerst moet vaststaan wat er tot de nalatenschap behoort alvorens deze verdeeld kan worden, lijkt mij niet zozeer een vraag van aanvulling van rechtsgronden (al dan niet van openbare orde), maar een kwestie van logica. Als niet is vastgesteld wat de omvang van een nalatenschap is, kan deze ook niet verdeeld worden; wat onderdeel is van de rechtsstrijd, is dan niet van doorslaggevend belang. Om deze reden dient de vereffening aan te vangen met een boedelbeschrijving, los van de vraag wat partijen nu precies tot onderdeel van hun rechtsstrijd hebben gemaakt.
De verplichting tot vereffening betekent in de tweede plaats dat zodra er enige aanwijzing is dat er belangen van schuldeisers in het geding zijn, de rechter ambtshalve zal moeten oordelen dat eerst deze schuldeisers moeten worden voldaan (of, een stap eerder, dat deze moeten worden opgeroepen), alvorens de nalatenschap verdeeld kan worden. Indien dit anders zou zijn en de erfgenamen/vereffenaars zelf zouden kunnen bepalen dat zij overgaan tot verdeling alvorens schuldeisers zijn voldaan, ligt misbruik op de loer. Het doel van de vereffeningsverplichting bij beneficiaire aanvaarding, bescherming van schuldeisers (zie onder 2.5 en 2.8), zou dan worden ondergraven. Ook hier is de door partijen afgebakende omvang van de rechtsstrijd geen doorslaggevend gezichtspunt.
In zoverre is aan te nemen dat de rechter de regeling omtrent vereffening – en dan met name de regel dat éérst de schuldeisers moeten zijn voldaan – ambtshalve moet toepassen en dat art. 4:222 BW Pro in zoverre recht van openbare orde bevat.
tezamenzonder rechterlijke tussenkomst irreëel. Juist vanwege alle geschillen over de vraag wat er tot de boedel behoort, hebben partijen de rechter verzocht om te beslissen over omvang en verdeling van de nalatenschap. Ook het
gezamenlijkinstellen van een vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording – een stap die noodzakelijk kan zijn om beslissingen te nemen over de omvang van de nalatenschap –, zoals het hof suggereert (rov. 2.20 tussenarrest en rov. 2.1 eindarrest), zal niet tot de mogelijkheden behoren, nu [verweerder] zich verzet tegen het afleggen van rekening en verantwoording. De door [eiser] en [betrokkene 1] ingestelde vordering tot rekening en verantwoording is door de rechtbank afgewezen omdat er geen rechtsgrond voor zou zijn. [58] Hetzelfde geldt voor de vordering van [eiser] tot vaststelling dat [verweerder] wegens het opzettelijk verzwijgen en/of zoekmaken en/of verborgen houden van tot de gemeenschap behorende goederen, zijn aandeel in de nalatenschap heeft verbeurd (art. 3:194 lid 2 BW Pro). [59] Ook die vordering zou volgens het hof door de erfgenamen/vereffenaars
tezamenhebben moeten worden ingesteld. Dat lijkt eveneens een nogal theoretische benadering, nu partijen tot op het bot verdeeld zijn over wat er tot de nalatenschap behoort. In feite zouden [eiser] of [betrokkene 1] gedwongen worden, zo komt het mij voor, om op de voet van art. 4:203 lid 1 sub a BW Pro de rechtbank te verzoeken een andere vereffenaar te benoemen. Dat is nogal omslachtig, gegeven het feit dat de enige schuldeiser van de nalatenschap [verweerder] is en de vereffenaar zonder rechterlijke tussenkomst geen boedelbeschrijving zal kunnen opstellen.
de factode vereffening voltooid. Vervolgens had het hof dan de nalatenschap kunnen en moeten verdelen, zoals verzocht door partijen
altijd en onder alle omstandighedeneen wet van meden en perzen is. Zoals besproken onder 2.6 kan bij een verklaring van de executeur dat de nalatenschapsgoederen ruimschoots voldoende zijn om de schulden van de nalatenschap te voldoen, vereffening achterwege blijven, welke regel van rechtswege werkt. Zou de ‘ruimschoots-voldoende-verklaring’ van [verweerder] , vermeld onder 1.2 van de vaststaande feiten, afgelegd zijn door een executeur, dan had derhalve geen vereffening hoeven plaats te vinden. Bovendien zijn er mogelijkheden om voordat de vereffening voltooid is partieel te verdelen (zie onder 2.10) en kan de rechter de verdeling uitspreken onder de opschortende voorwaarde dat vereffend is (zie onder 2.9). Al deze opties houden er natuurlijk verband mee dat zich voor kan doen dat er geen enkel belang van een schuldeiser wordt geschaad wanneer (partieel) verdeeld wordt zonder dat de vereffening is voltooid, zeker wanneer de verdeling onder rechterlijk toezicht geschiedt. Dat laatste is precies wat hier aan de orde is.
niet-ontvankelijkheiduit te spreken. De rechter heeft ook andere mogelijkheden om te voorkomen dat verdeeld wordt voordat vereffend wordt. Hij kan partijen opdragen eerst schuldeisers op te roepen en te voldoen (maar dat is hier, zoals gezegd, niet aan de orde). En de rechter kan zelf alle beslissingen nemen die nodig zijn om tot een boedelbeschrijving te komen.
De sancties op het overschrijden van de redelijke termijn zijn in het Nederlandse recht nogal aan de magere kant. [65] Bovendien is het de vraag in hoeverre het na afloop van een procedure waarin de redelijke termijn is overschreden, moeten entameren van een nieuwe procedure tegen de Staat om schadevergoeding te krijgen, als een ‘effective remedy’ in de zin van art. 13 EVRM Pro is aan te merken. [66] Tegen die achtergrond ligt het in de rede om in klemmende gevallen het aanwenden door de rechter van zijn bevoegdheid om al dan niet ambtshalve maatregelen te treffen, niet geheel te zijner discretie te laten. Ik zou de mogelijkheid die art. 20 lid 1 Rv Pro de rechter biedt om maatregelen te nemen bij dreigende onredelijke vertraging van de procedure, dan ook willen zien als een extra argument dat het hof in dit geval niet tot een ambtshalve uitgesproken niet-ontvankelijkheid had kunnen komen.
In zoverre slaagt ook onderdeel 2.
onderdeel 1de door [eiser] in zijn cassatiemiddel in het principale beroep aangevoerde gronden integraal over. Het middel verzoekt om al hetgeen daar is aangevoerd tegen de bestreden rechtsoverwegingen als herhaald en ingelast te beschouwen. De
onderdelen 2-5 bevatten geen klachten.
Onderdeel 8stelt dat, aangezien daarover geen zekerheid bestaat, zekerheidshalve (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep wordt ingesteld.
Onderdeel 9stelt dat een uitspraak van Uw Raad over de vraag of dit cassatieberoep nodig was om het door [verweerder] beoogde resultaat, zoals hiervoor weergegeven, te bereiken, wenselijk is.
heeft(voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld en dit beroep moet derhalve worden besproken. Nu het middel blijkens onderdeel 1 de gronden van het beroep van [eiser] geheel overneemt (zij het, naar ik begrijp, voor zover het betreft het oordeel dat
[verweerder]in zijn vorderingen in conventie niet-ontvankelijk is verklaard, alsmede in zijn vorderingen die hij bij wege van eisvermeerdering in het incidenteel hoger beroep heeft ingesteld) slaagt het op de gronden zoals hiervoor uiteengezet bij de bespreking van het principaal cassatieberoep.
processueelondeelbare rechtsverhouding. De gezamenlijke erfgenamen/vereffenaars in de nalatenschap van [betrokkene 3] zijn immers, na oproeping in het geding van [betrokkene 1] , allen in hoger beroep in de procedure betrokken. Met betrekking tot de vraag die onderdeel 9 aan de orde stelt, te weten de vraag of [verweerder] incidenteel cassatieberoep
had moeten instellenom het door hem beoogde resultaat – behandeling van zijn conventionele vorderingen in een eventuele verwijzingsprocedure – te krijgen, is eerder van belang of gesproken kan worden van een materieel ondeelbare rechtsverhouding. Naar mijn mening is dat het geval. Partijen hebben over en weer vorderingen met betrekking tot de verdeling van de nalatenschapsboedel van [betrokkene 3] ingesteld. Naar het oordeel van het hof konden deze vorderingen nog niet aan de orde komen, omdat de vereffening nog niet is voltooid. Dit oordeel heeft betrekking op
alleverdelingsvorderingen die zijn ingesteld. Ik meen dat het instellen van (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep door [verweerder] niet nodig was om te bewerkstelligen dat zijn vorderingen in conventie door het verwijzingshof worden besproken. Hij lift in zoverre derhalve mee op het principaal cassatieberoep. Dit zou anders zijn geweest indien hij met betrekking tot de nalatenschapsboedel geen verdelingsvordering maar een geheel andere vordering zou hebben ingesteld en in die vordering op een geheel andere grond niet-ontvankelijk zou zijn verklaard. In dat geval had [verweerder] incidenteel cassatieberoep
moeteninstellen, indien hij het met de betreffende beslissing van het hof niet eens zou zijn geweest.