Conclusie
verkrachting” en 2 primair en 4 primair telkens "
opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is" en in de zaak met parketnummer 18-670358-12 wegens 1 primair "
poging tot door giften of beloften van geld of goed een persoon waarvan hij redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest, alsmede is de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opgelegd. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van het beslag en de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als nader in het arrest omschreven.
eerste middelklaagt in de kern dat de bewezenverklaring van de onder 1 primair tenlastegelegde verkrachting van [betrokkene 5] op 13 oktober 2013 in de zaak met parketnummer 18-850472-13 ontoereikend is gemotiveerd, aangezien het hof in strijd met het bepaalde in art. 342, tweede lid, Sv, het onderdeel van de bewezenverklaring dat ziet op 'seksueel binnendringen' uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van één getuige.
de door het hof gegeven redenen voor de ontstane overtuiging niet begrijpelijk althans volstrekt onvoldoende overtuigend[zijn]". Daartoe wordt door de steller van het middel gewezen op een aantal overwegingen van het hof uit de 'Overweging met betrekking tot het bewijs van feit 1 primair in de zaak met parketnummer 18-850472-13'.
tweede middelkeert zich met een bewijsklacht en een rechtsklacht tegen de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 18-670358-12 onder 1 primair tenlastegelegde, te weten de verleiding van [betrokkene 1] op 10 juni 2011. Meer in het bijzonder klaagt het middel dat het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte aan [betrokkene 1] heeft gevraagd wat foto's van zichzelf te maken, terwijl uit de bewijsmiddelen blijkt dat deze vraag feitelijk niet aan [betrokkene 1] maar aan haar vader, [betrokkene 2] , is gesteld. Indien het hof van oordeel is dat de verdachte ingevolge art. 248a Sr ook strafbaar is indien de vraag wordt gericht aan iemand die zich slechts
voordoetals een minderjarige, gaat het uit van een verkeerde rechtsopvatting, aldus de steller van het middel.
Als iemand objectief achttien was, maar de verdachte subjectief dacht dat het om een minderjarige ging, is van strafbaarheid geen sprake. Daartoe lijkt mij ook geen aanleiding, omdat de bescherming van minderjarigen het uitgangspunt van het verdrag is." [7]
inmiddels in de rechtspraak[is]
geoordeeld dat een verdachte van grooming niet strafbaar is als degene die in de tekst van het huidige artikel 248e Sr wordt aangeduid als de persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, in werkelijkheid zestien jaar of ouder is en dat het daarbij niet uitmaakt of de verdachte met betrekking tot die leeftijd in een andere veronderstelling verkeerde of mocht verkeren". [11]
Als die intentie[DA: van de verdachte om contact te hebben met een minderjarige]
kan worden afgeleid uit de communicatie hebben we te maken met een situatie waarin aan de delictsomschrijving wordt voldaan." Daar staan echter de volgende mededelingen tegenover: "
Als uit de uitingen over en weer blijkt dat de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de andere persoon de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, is voldaan aan de omschrijving in de strafbepaling." Voorts wijs ik op de volgende uitlatingen van de minister: "
In de delictsomschrijving gaat het om bepaalde gedragingen die kennelijk gericht zijn op een ontmoeting met iemand onder de zestien jaar. Dat is meer dan de pure intentie", en: "
zowel bij schuldheling als bij deze delictsomschrijving gaat het om het vaststellen van gedragingen die aan de delictsomschrijving voldoen, niet om intenties. Dat is de grens die ik heb willen trekken." [12]
heb jij wel eens een piemel gezien en zou jij daar wel eens aan willen zitten?" Als het chatgesprek niet was overgenomen door de vader van [betrokkene 1] , dan was de verdachte in de gelegenheid geweest om de gehele delictsinhoud te vervullen. Dit is anders dan bij een zogenaamde 'lokpuber', waarbij vervulling van de delictsinhoud van meet af aan onmogelijk is. De verdachte heeft zich in casu bediend van een geschikt middel ten aanzien van een in eerste instantie geschikt object, ware het niet dat de verdere uitvoering onmogelijk was geworden door de van de wil van de verdachte onafhankelijke omstandigheid dat het chatgesprek niet door [betrokkene 1] maar door haar vader werd voortgezet. [19] Gedurende de uitvoering van het delict is zo bezien het object ondeugdelijk geraakt. Om met De Hullu te spreken is hierdoor de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging echter niet aangetast [20] en van een absoluut ondeugdelijke poging zou ik dan ook niet willen spreken. [21] Naar mijn inzicht is derhalve sprake van een strafbare poging tot verleiding.