Conclusie
middelbevat de klacht dat de rechtbank in zijn beslissing ten onrechte (impliciet) heeft geoordeeld dat het Canadese uitleveringsverzoek voldoet aan de in art. 7, eerste lid en onder b(i), van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake uitlevering (Trb. 1989, 169; hierna ook: het Uitleveringsverdrag) neergelegde eis van de overlegging van een origineel of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van een in de verzoekende staat uitgevaardigd aanhoudingsbevel.
een kopievan het aanhoudingsbevel (Warrant for Arrest) uitgevaardigd op 6 februari 2015 door de Supreme Court in Westminster, British Columbia, Canada en door middel van een stempel ondertekend door T. Johnson in diens hoedanigheid van ‘Clerk of the Court on behalf of (…) The Honourable Mr./Madam Justice (…) J R Dillon, in and for the Province of British Columbia’ ;
een kopievan de ‘Affadavit’ [6] , behorende bij de kopie van het aanhoudingsbevel, opgemaakt en ondertekend door Jay Fogel (Barrister of Port Coquitlam, British Columbia) en geautoriseerd door James L. Powrie (Commissioner for taking Affidavits in and for the Province of British Columbia) op 10 november 2015, waarin Jay Fogel verklaart: