Conclusie
1.Feiten en procesverloop
paritas creditorumen het fixatiebeginsel, omdat daarmee zonder wettelijke basis een voorrang zou worden verkregen (rechtsoverweging 7.4.4).
2.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
paritas creditorumen het fixatiebeginsel.
going concernmeer oplevert dan verkoop van de losse vermogensbestanddelen van die onderneming. In afwachting van die verkoop
going concernzal de curator lopende overeenkomsten veelal willen nakomen, omdat anders de onderneming spoedig veel van haar waarde zal verliezen. Ook los van een voorgenomen verkoop
going concernis voorstelbaar dat de curator tot de conclusie komt dat de onverkorte nakoming van de overeenkomst voor de boedel meerwaarde oplevert.
cherry pickingdoet, dus alleen de ‘lusten’ van de overeenkomst probeert te realiseren, zonder de ‘lasten’ die aan de overeenkomst zijn verbonden op zich te nemen. Dat geldt in het hierna te bespreken geval dat de curator zich overeenkomstig art. 37 Fw Pro tot nakoming bereid heeft verklaard (zie onder 2.14), [6] maar het geldt ook indien die bepaling (nog) geen toepassing heeft gevonden. De wederpartij zal tegenover de curator die op nakoming van de wederkerige overeenkomst aanspraak maakt, zich immers op zijn aan art. 6:262, 6:263 of 6:52 BW te ontlenen opschortingsrecht kunnen beroepen en dus die nakoming mogen uitstellen tot de curator zijnerzijds nakomt. Dat een ten tijde van de faillietverklaring reeds bestaand opschortingsrecht blijft bestaan, volgt uit het onder 2.3 benoemde uitgangspunt dat de faillietverklaring niets verandert aan de rechten en verplichtingen van partijen bij de overeenkomst. [7] De curator zal bij het maken van zijn keuze om de overeenkomst al dan niet na te komen, dus dienen te letten op de contractuele rechtsverhouding in haar gehéél. Hij dient het voordeel van hetgeen de boedel uit hoofde van de overeenkomst zal kunnen ontvangen, af te wegen tegen alle aanspraken die de wederpartij uit hoofde van diezelfde overeenkomst zal kunnen doen gelden. [8]
paritas creditorumis opgemerkt. Het fixatiebeginsel dient het belang van de boedel en dus van de gezamenlijke schuldeisers. Daarom is het alleszins passend op het beginsel een uitzondering te aanvaarden voor het geval dat de boedel bij de onverkorte nakoming van de overeenkomst gebaat is.
noodgedwongentot voldoening van de openstaande vorderingen van deze crediteuren zou overgaan, dus omdat hij feitelijk geen andere keuze zou hebben, en niet op basis van de afweging of de boedel door de onverkorte nakoming van de overeenkomst al dan niet is gebaat. [10]
integraalna te komen. Hij verbindt de boedel in dat geval dus voor alle uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, zowel de ten tijde van de faillissementsdatum reeds bestaande als de toekomstige, waarbij deze verplichtingen tot boedelschuld promoveren. [15] Ook de zekerheid die de curator overeenkomstig het tweede lid van art. 37 Fw Pro moet stellen, behoort zodanig te zijn dat de wederpartij ervan is verzekerd dat de boedel de verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst ten volle zal nakomen.
nakomingvan de overeenkomst en dat geen zekerheid gesteld behoeft te worden voor schade die het gevolg kan zijn van de niet (tijdige) nakoming of gebrekkige nakoming van die overeenkomst. Van Zanten is op dit punt het meest uitvoerig: [18]
daaropbetrekking behoeft te hebben. Contractuele schadevergoedingsaanspraken en wettelijke aanspraken ter zake van aanvullende schade behoeven niet door de zekerheid te zijn gedekt.’
naderezekerheidstelling verplicht, voel ik niet. Nog daargelaten dat hij zich nóg verder van de wettekst en de bedoeling van de wetgever verwijdert, kleeft aan die variant het ernstige bezwaar dat de curator die na zijn verklaring bemerkt dat de boedel bij de onverkorte uitvoering van de overeenkomst tóch niet gebaat is, verplicht is mee te werken aan een vergroting van het nadeel voor de boedel. Zonder een verplichting tot nadere zekerheidstelling heeft de curator het alternatief om voor lief te nemen dat hij de wederpartij in verband met diens opschortingsrecht niet tot (volledige) nakoming kan dwingen. Een verplichting tot het stellen van aanvullende zekerheid vergroot ook het verschil in behandeling tussen de wederpartij en de overige schuldeisers, en dat in een geval waarin inmiddels is gebleken dat die ongelijke behandeling niet in het belang van de boedel is.
allevorderingen van Molenparc.
nietuit de overeenkomst zou voortvloeien, maar in plaats daarvan uit de wet. De bepaling ziet immers op het stellen van een bankgarantie voor schade als gevolg van tekortschieten van NBO. Het beding is in de door mij veronderstelde gedachtegang van het hof in de context van een
concursus creditorumontoelaatbaar. Ik meen dat een dergelijke opvatting onnodig complicerend is. Ze leidt tot een onderscheid tussen contractuele verplichtingen en contractuele verplichtingen, waarbij de scheidslijn weinig duidelijk is. Valt bijvoorbeeld contractuele rente aan de ene of de andere zijde van de lijn? En wat kan bovendien van dit alles de winst voor de boedel zijn? Art. 37 Fw Pro strekt, als gezegd, niet tot een inperking van het opschortingsrecht van de wederpartij. Zo men al aanneemt dat de curator niet op grond van art. 37 lid 2 Fw Pro zekerheid voor een bepaalde verplichting behoeft te stellen, blijft staan dat de wederpartij in verband met die verplichting wel zal kunnen opschorten. De veronderstelde gedachtegang van het hof is dus inderdaad onnodig complicerend: ze leidt niet tot een verbetering van de positie van de boedel en slechts tot een verwarrend debat over de aard van contractuele verplichtingen als écht contractueel van aard, of voortbouwend op een wettelijke schadevergoedingsverplichting.
3.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
aanspraakop zekerheidstelling heeft. Dit betoog is op zichzelf juist. Ik kan echter niet inzien welk belang de curator bij deze klacht heeft. Het hof heeft aan zijn aanname dat aan het veronderstelde retentierecht ook een aanspraak op zekerheidstelling verbonden was, geen consequenties verbonden. De curator heeft ook geen reden om te vrezen dat die aanname van het hof gezag van gewijsde zou kunnen verkrijgen. Ze draagt de beslissing van het hof immers niet.