Conclusie
Onderdeel 4.2is gericht tegen rov. 6.2 waarin het hof heeft geoordeeld: (i) dat [verweerder] in de procedure die tot de hofarresten heeft geleid, afgifte heeft gevorderd van aandelen 57 tot en met 85 en niet van de elf andere aandelen en dat het [verweerder] vrijstond om van die elf andere aandelen alsnog in een volgende procedure de afgifte te eisen en (ii) dat het standpunt van [eiser] dat [verweerder] dit niet mocht, omdat hij deze vordering in een andere procedure had kunnen instellen, geen steun vindt in het recht.
onderdeel 4.3worden klachten gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 8.3 dat de reconventionele vordering van [verweerder] tot afgifte van de elf aandelen niet is verjaard omdat deze is gestuit door indiening van de memorie van grieven van 20 oktober 2009. Daarin heeft [verweerder] zich ondubbelzinnig op de afspraak tot teruggave van de 40 aandelen beroepen, heeft hij nakoming van die afspraak gevorderd en heeft hij aanspraak gemaakt op de afgifte van 29 van de aandelen. Aangezien, aldus het hof in de bestreden rechtsoverweging, de vordering tot afgifte van de elf aandelen in de onderhavige procedure op dezelfde feitelijke en juridische grondslag berust, geldt de memorie van grieven ook ten aanzien van de elf aandelen als een stuitingshandeling. Het hof verwijst daarbij naar HR 23 mei 1997 [9] .
NJ 1966, 58, en 20 maart 1992,
NJ 1992, 495).”
Onderdeel 4.4is gericht tegen rov. 4.2, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:
Onderdeel 4.5is gericht tegen rov. 8.1 waarin het hof het beroep van [eiser] op de nietigheid van de afspraak op grond van art. 3:40 BW Pro heeft verworpen. Het onderdeel volstaat met de klachten dat het hof: (a) heeft miskend dat art. 3:40 BW Pro in de weg staat aan executie van de hofarresten, (b) ten onrechte heeft volstaan met de overweging dat het beroep op art. 3:40 BW Pro afstuit op het gezag van gewijsde en (c) de door het hof in rov. 4.2 vastgestelde ‘rechtsbetrekking’ het lot van deze nietige afspraak moet delen.
onderdeel 4.6worden klachten gericht tegen rov. 8.2, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:
onderdelen 4.7, 4.8 en 4.9voldoen niet aan de hiervoor geschetste eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro. Onderdeel 4.7 vermeldt niet waar het hof heeft miskend dat de rechter ambtshalve de rechtsgronden aanvult en onderdeel 4.8 niet in welk oordeel het hof niet inzichtelijk heeft gemaakt de regels in art. 25 Rv Pro te hebben toegepast. De motiveringsklacht in onderdeel 4.9 wijst niet aan in welk oordeel het hof essentiële stellingen van [eiser] onbesproken heeft gelaten, noch om welke stellingen van [eiser] het gaat en waarom deze stellingen als essentieel moeten worden aangemerkt.