Uitspraak
wonende te [woonplaats], Duitsland,
wonende te [woonplaats],
1.Het geding
2.Het tweede geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
29 januari 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door verzoeker tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 31 maart 2015. Verweerder is in cassatie verstek verleend. De Procureur-Generaal heeft verzocht het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), omdat verzoeker klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten en stukken die aan het arrest zijn gehecht en overweegt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Gezien artikel 80a lid 1 Rv en na gehoord te hebben de Procureur-Generaal, verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk.
Verzoeker wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, welke aan de zijde van verweerder op nihil worden begroot. Het arrest is gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Streefkerk en Tanja-van den Broek en in het openbaar uitgesproken door raadsheer De Groot op 29 januari 2016.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of gebrek aan cassatiemogelijkheid.