Conclusie
1.Bespreking van het cassatiemiddel
de borgde last rust om de bewijzen dat de hoofdschuld teniet is gegaan en klaagt dat het hof, dat verwijst naar art. 7:855 lid 1 BW Pro, derhalve is uitgegaan van een onjuiste bewijslastverdeling.
bepaalderestschulden, zo stelt het onderdeel.
- op 28 december 2004 aan [A] een lening van € 230.000,-;
- op 26 juni 2009 aan [A] een lening van € 60.301,51 (aangeduid als lening 2);
totaalsomgevorderd van [verweerder] c.s. wegens het uitblijven van betaling van een deel van de schulden (na opeising van de leningen bij FiberGlo en [A]). Daarbij heeft de bank vermeld (na eisvermindering bij repliek) dat de schulden van FiberGlo zijn betaald en dat nog een schuld van [A] openstaat van € 151.948,68, te vermeerderen met de Duitse wettelijke rente. [13] De bank heeft daarbij niet gespecificeerd welke schulden precies onbetaald zijn gebleven. Wel heeft de bank vermeld dat zij haar vordering jegens [verweerder] c.s. baseert op de borgtocht genoemd onder 2 (een van de overeenkomsten van 10 juli 2006) en de borgtocht genoemd onder 4 (die van 26 juni 2009). Op grond hiervan zou kunnen worden aangenomen dat, zoals het onderdeel stelt, de bank inderdaad haar vorderingen niet heeft toegespitst of beperkt tot twee geldleningen.
is gesteld voor de schulden van [A] uit de leningsovereenkomst van 10.7.09 (prod. 5)’. Voor wat betreft de borgtocht van 26 juni 2009 (genoemd onder 4) wordt opgemerkt dat deze ‘
is gesteld voor de schulden van [A] uit de leningsovereenkomst van 26.6.09 (prod. 4)’. De betreffende leningsovereenkomsten zijn de leningen die zijn aangeduid als lening 1 en lening 2. Hier maakt de bank derhalve wél een duidelijke koppeling tussen de overeenkomsten van borgtocht en een
bepaalde, bij de betreffende overeenkomst behorende lening aan [A]. Het is dan ook zeker niet onbegrijpelijk dat het hof de stellingen van de bank zo heeft uitgelegd, dat inzake de leningen 1 en 2 betaling wordt gevorderd van [verweerder] c.s. als borg van een door [A] onbetaald gebleven bedrag van in hoofdsom € 151.984,68. Ook is geen sprake van een miskenning van de feitelijke grondslag van vordering of verweer. De uitleg sluit immers aan bij de eigen stellingen van de bank.
pro restoomvang van lening 1 is, onjuist is. Dit omdat het hof ambtshalve had moeten onderzoeken of de geldende imputatieregeling meebracht dat de door de bank gestelde te crediteren bedragen met andere schulden dan met de debetstand uit ‘lening 1’ verrekend moest worden.
Het onderdeel is subsidiair voorgesteld, namelijk voor het geval zou moeten worden aangenomen dat op de bank wel de bewijslast rust zowel ter zake van het bestaan van de schuld van [A] aan de bank, als ter zake van het specifiek nog door [A] uit hoofde van lening 1 aan de bank verschuldigde, zo is in de cassatiedagvaarding vermeld.
pro restois overgebleven van lening 1, dat wil zeggen de lening aan [A] van 10 juli 2006 ter hoogte van € 125.000,-. De door de bank bij memorie van antwoord overgelegde productie 12 zou hier inzicht in moeten verschaffen. Nu de betreffende productie geen onderscheid maakt tussen de verschillende leningen, is het (feitelijke) oordeel van het hof dat het benodigde inzicht niet is verkregen, niet onbegrijpelijk. Zelfs al zou het hof ambtshalve de imputatieregels hebben toegepast – waarvoor naar mijn mening geen grondslag bestaat – dan nog is uit productie 12 niet af te leiden wat dit betekent voor het beloop van lening 1.
Reeds hierom kan het onderdeel niet slagen.
nietmede baseert op die producties. Dit laatste wordt niet bestreden door het onderdeel. Het onderdeel trekt wel in twijfel dat het hof buiten beschouwing heeft gelaten wat [verweerder] c.s. hebben opgemerkt over aflossingen die ten onrechte niet zouden zijn verwerkt en debetposten die ten onrechte wel op het overzicht zijn opgenomen. Het onderdeel verbindt hieraan echter geen concreet punt waarop geen wederhoor heeft plaatsgevonden, zodat het ook in dit opzicht niet kan slagen.