De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin verdachte is veroordeeld voor meerdere feiten, waaronder diefstal met geweld en mishandeling. De Hoge Raad oordeelt dat het bewijs voor het onderdeel diefstal met geweld onvoldoende is om dit onderdeel te handhaven en spreekt verdachte daarvoor vrij. De overige bewezenverklaarde feiten, waaronder mishandeling, blijven onverminderd van kracht.
Het hof heeft de PIJ-maatregel opgelegd op grond van art. 77s Sr, waarbij is vastgesteld dat verdachte ten tijde van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens had. De Hoge Raad bevestigt dat het hof de ernst van de feiten en de wettelijke voorwaarden voor de maatregel voldoende heeft gemotiveerd.
Verdachte voerde onder meer een beroep op noodweerexces aan voor de mishandeling, maar het hof heeft dit verweer verworpen omdat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De Hoge Raad acht dit oordeel niet onbegrijpelijk en wijst de klachten over de motivering van het hof af.
Daarnaast is geoordeeld dat het gebruik van rapportages, ondanks de weigering van verdachte tot medewerking, rechtens toelaatbaar is. De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt het hofarrest in zoverre het mishandeling en de PIJ-maatregel betreft, en spreekt verdachte vrij voor het onderdeel diefstal met geweld.