Conclusie
1.Feiten en procesverloop
evenweken zal verblijven bij de adoptief-moeder en in de
onevenweken bij de biologische moeder. De rechtbank heeft deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard en voor het overige (partner- en kinderalimentatie, afwikkeling huwelijkse voorwaarden en verdeling goederengemeenschap) iedere verdere beslissing aangehouden.
mediationgedeeltelijk overeenstemming hebben bereikt. Zij hebben geen overeenstemming bereikt over de hoofdverblijfplaats van de zoon en verzoeken een beslissing van de rechtbank daarover. Partijen hebben wel overeenstemming bereikt over de contactregeling die zal moeten gelden in het tijdvak vanaf 19 september 2016 [5] . Voor het tijdvak tot september 2016 zullen partijen de reeds bestaande (co-ouderschaps)regeling handhaven [6] .
part-timebaan heeft en daarnaast vanuit huis werkt en minder opvang voor de zoon nodig heeft. De biologische moeder heeft weliswaar ook een regelmatige opvang geregeld, maar doordat zij in ploegendienst werkt is opvang nodig op voor de zoon ongunstige tijden: heel vroeg in de ochtend ofwel heel laat in de avond. De rechtbank achtte dat niet in het belang van de zoon.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel I.1houdt in dat onbegrijpelijk is waarop de feitelijke vaststelling berust dat de zoon al meer dan twee jaar zijn hoofdverblijf bij de adoptief-moeder in [plaats B] heeft: blijkens de beschikking voorlopige voorzieningen van 7 januari 2015 [8] was de hoofdverblijfplaats van de zoon het adres van de biologische moeder. Eerst bij voormelde echtscheidingsbeschikking van 11 december 2015 is (uitvoerbaar bij voorraad) de hoofdverblijfplaats bij de adoptief-moeder bepaald.
Onderdeel I.2is voorgesteld voor het geval dat de rechtbank hiermee tot uitdrukking heeft willen brengen dat de zoon al gedurende meer dan twee jaar méér tijd doorbrengt bij de adoptief-moeder dan bij de biologische moeder. Bij die lezing is de bestreden vaststelling evenzeer onbegrijpelijk, gelet op de inhoud van de destijds tussen partijen geldende zorgregeling (co-ouderschap in de vorm van een
résidence alternée: een ‘week op/week af’-schema).
Onderdeel I.3klaagt over een ongeoorloofde aanvulling van de feiten indien het hof in deze overweging tot uitdrukking heeft willen brengen dat de destijds tussen partijen geldende zorgregeling in de praktijk niet werd nageleefd. In dat geval heeft het hof art. 24 Rv Pro geschonden en/of een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven.
Onderdeel I.4veronderstelt dat het hof voor ogen heeft dat de zoon feitelijk zijn hoofdverblijfplaats bij de adoptief-moeder had en deze zou mogen ‘houden’; de toelichting op deze klacht benadrukt het gebruik van het woord “houdt” in rov. 3.7.2. Deze klachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
in feitemeer tijd heeft doorgebracht bij de adoptief-moeder dan bij zijn biologische moeder, is die vaststelling zonder een nadere movering, welke ontbreekt, voor de lezer niet begrijpelijk. De motiveringsklachten onder I.1 en I.2 slagen; de subsidiaire klachten onder I.3 en I.4 behoeven daarom geen bespreking.
part timeen tijdens de schooluren werkt, terwijl de biologische moeder
full timewerkt.
Onderdeel I.5klaagt dat het hof heeft verzuimd te responderen op de verklaring van de biologische moeder dat, mocht haar
full timewerkkring (in ploegendienst) haar worden tegengeworpen met het oog op de zorg voor de zoon, zij een
part timebaan zal zoeken. Het niet responderen op deze stelling acht zij te meer onbegrijpelijk, nu zij in dit geding steeds heeft gesteld dat zij alles eraan doet om haar werkkring dusdanig in te richten dat deze - met het oog op de zorg voor de zoon - haar niet kan worden tegengeworpen. Het is niet gebleven bij een bereidverklaring. Zij heeft hiervan ook blijk gegeven: zij heeft aan het hof meegedeeld dat zij het voor elkaar heeft gekregen dat zij in januari 2015 van drieploegendienst [10] naar een tweeploegendienst is overgegaan en daarenboven alles in het werk heeft gesteld om ouderschapsverlof te verkrijgen. Aan deze essentiële stellingen is het hof volgens de klacht ten onrechte zonder motivering voorbijgegaan.
onderdeel I.6dat dit oordeel rechtens onjuist is, althans onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Niet slechts de beschikbaarheid (in tijd), maar ook de pedagogische vaardigheden en de continuïteit spelen een rol bij de beslissing over de hoofdverblijfplaats en moeten daarbij een rol spelen. Het bestreden oordeel is volgens de klacht bovendien innerlijk tegenstrijdig, na hetgeen het hof daaraan vooraf heeft doen gaan (over de pedagogische vaardigheden van beide moeders en over het belang van continuïteit).
full timeen in ploegendienst werkt en méér opvang voor de zoon nodig zou hebben (dan wanneer de rechter zou bepalen dat de zoon hoofdverblijfplaats zal hebben bij de adoptief-moeder, die
part timewerkt) [11] . In rov. 3.5 heeft het hof de reactie van de adoptief-moeder op deze stelling samengevat.
“Elements to be taken into account when assessing the child’s best interests” onder meer het volgende:
magbetrekken [16] . Beide omstandigheden zijn ook genoemd in een wel vaker geciteerde opmerking van de minister tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel met betrekking tot de invoering van het ouderschapsplan. In het debat in de Eerste Kamer kwam de vraag aan de orde of de hoofdregel van een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders (zie thans: art. 1:247 BW Pro) meebrengt dat de zorg- en opvoedingstaken in beginsel gelijk (50/50) worden verdeeld tussen beide ouders [17] . De minister antwoordde:
werktijden van de ouders, woonomstandigheden, school- en sporttijden van de kinderen kunnen hierbij bijvoorbeeld meespelen. Een kind heeft belang bij zoveel mogelijk
continuïteit in de verzorging en opvoeding, maar dit betekent niet dat de zorgverdeling ten tijde van de samenleving doorslaggevend is bij het vaststellen van een zorgregeling. Ook de rechter die verzocht wordt een zorgregeling vast te stellen, zal de zorgverdeling tijdens de samenleving meenemen in zijn beoordeling van het verzoek, evenals andere factoren. (…)” [18]
essentiëlestelling waaraan het hof niet zonder nadere motivering voorbij had mogen gaan. Aan de adoptief-moeder kan worden toegegeven, dat de rechter in het algemeen mag afgaan op de toestand ten tijde van zijn uitspraak (of beter gezegd: op het tijdstip waarop de mondelinge behandeling in hoger beroep wordt gesloten). Op dat tijdstip werkte de biologische moeder
full-timeen in een (twee)ploegendienst. Daar valt echter het volgende tegen in te brengen: