Conclusie
[de vrouw],
[de man],
subonderdeel 2klaagt de vrouw dat als het hof met zijn oordeel bedoeld heeft dat de vrouw nog meer inzicht had moeten geven in de uitgaven van haar cocaïnegebruik, dit onbegrijpelijk is in het licht van de passage uit rov. 3.5.4 dat verkoop en betaling van cocaïne niet pleegt te worden geadministreerd, hetgeen tevens een feit van algemene bekendheid is.
Kort na de ernstige mishandeling in mei 2009 ben ik bij toeval met cocaïne in aanraking gekomen. Zij zou dus ten minste (762 gram : 111 dagen is) 6,86 gram per dag hebben verbruikt en dus minstens 27,5 keer zoveel als een gemiddelde, echte verslaafde. Dat kan natuurlijk niet kloppen, zeker niet bij iemand die vóór het uiteengaan van partijen helemaal geen cocaïne gebruikte. De door de vrouw met betrekking tot haar opnames overgelegde (zeer weinige) bescheiden, spreken dan ook met geen woord over het gebruik van cocaïne.”
subonderdeel 1.2op.
Subonderdeel 2slaagt daarom ook niet.
subonderdeel 3deelt het lot van de voorafgaande subonderdelen.
redelijkevergoeding [10] . Dat deel van de afwijzingsmotivering wordt in het “voorbij gaan” oordeel van het hof in rov. 3.10 als ik het goed zie overeind gehouden en daartegen richt zich geen klacht in subonderdeel 4 (wel in subonderdeel 5, welke klacht, zoals ik hierna zal bespreken, volgens mij niet opgaat.) Zodoende kan inderdaad worden betwijfeld of voldoende concreet wordt opgekomen met grief 2 tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.13 dat het in dit geval in strijd komt met de redelijkheid en billijkheid om een gebruiksvergoeding vast te stellen (vgl. s.t. zijdens de man onder 2.8). Ik meen dat in dit licht bezien de geformuleerde klachten al niet tot cassatie kunnen leiden [11] .
nadathet heeft overwogen dat de toelichting bij grief 2 voorbij gaat aan de motivering van de rechtbank voor afwijzing van zo’n gebruiksvergoeding en dat het door de vrouw gehanteerde uitgangspunt dat de woning € 300.000,- waard is, onjuist is en overweegt dat
voor het overigede toelichting onvoldoende aanknopingspunt voor vernietiging van het bestreden vonnis en toekenning van een gebruiksvergoeding van € 250,- per maand bevat. Voor toekenning van een gebruiksvergoeding zijn de redelijkheid en billijkheid beslissend [12] . Het hof heeft hiermee zoals ik het zie niet geoordeeld dat van enige gebruiksvergoeding voor de vrouw
überhauptgeen sprake kan zijn, maar is tot het oordeel gekomen dat daarvoor in dit concrete geval onvoldoende aanknopingspunten zijn aangedragen. Daarmee valt het doek voor deze klacht.
redelijkheidvan zo’n vergoeding. Zo’n onderbouwing ontbreekt in de ogen van rechtbank en hof – een feitelijk en hier niet onbegrijpelijk oordeel.
gehoudenis. Het oordeel van (rechtbank en) hof komt erop neer dat de vrouw haar gevorderde gebruiksvergoeding onvoldoende handen en voeten heeft gegeven. Dat is gelet op de vage stellingen in prima en de onvoldoende heldere grief 2 met toelichting bepaald niet onbegrijpelijk te achten.