Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van de prejudiciële vraag
De Jeugdwet vervangt niet alleen de Wet op de jeugdzorg, maar ook de verschillende andere onderdelen van de jeugdzorg die onder de Zorgverzekeringswet (geestelijke gezondheidszorg voor jongeren) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (zorg voor licht verstandelijk beperkte jeugd) vielen. Ook de jeugdbescherming en jeugdreclassering maken onderdeel uit van de wet. Daarmee voorziet de Jeugdwet in een algehele stelselwijziging van de jeugdvoorzieningen.
De stelselwijziging van de jeugdvoorzieningen werd noodzakelijk geacht omdat aan het voorheen geldende stelsel van jeugdvoorzieningen verschillende tekortkomingen kleefden. [17] In de memorie van antwoord bij de Jeugdwet zijn deze tekortkomingen als volgt samengevat: [18]
het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van diens gezin en van het zorgend en van anderen in de sociale omgeving’. [25] Het versterken van de eigen kracht zou meebrengen dat minder professionele bemoeienis nodig is (‘demedicaliseren’) en dus minder beroep hoeft te worden gedaan op jeugdhulpvoorzieningen (zie hierboven onder 1, 2 en 5). [26] Ten slotte zou bezuinigd kunnen worden doordat de zorgtaken terecht komen bij de instantie die ook de preventietaken heeft, de gemeente, waardoor er meer ‘prikkels’ zijn om efficiënt te werken. Zie bijvoorbeeld de volgende passage in de memorie van antwoord: [27]
noot: zie financiële bijlage bij het Regeerakkoord 2012).”
Naast deze decentralisatiedoelstelling geldt verder ook voor de Wmo 2015 dat doelstelling is dat in mindere mate een beroep zal worden gedaan op overheidsvoorzieningen. Mensen moeten langer zelfstandig thuis wonen, waartoe het sociale netwerk van mensen, zo nodig mede met behulp van gemeentelijke voorzieningen in de nabijheid, beter moet worden benut. Ook hier geldt derhalve een bezuinigingstaakstelling. Zie de memorie van toelichting: [38]
4.Uitleg art. 14 CAO Pro Jeugdzorg
een door het Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport en/of het Ministerie van Veiligheid en Justitie opgelegde bezuinigings- en/of saneringsmaatregel.’
en de daarmee gepaard gaandekorting op de overgehevelde budgetten van 15%. Hiermee staat naar mijn mening vast dat sprake is geweest van een ‘bezuinigings- en /of saneringsmaatregel’. De korting op de overgehevelde budgetten van 15% kan immers niet anders dan als een bezuinigingsmaatregel worden aangemerkt. Deze korting was bovendien onlosmakelijk verbonden met de invoering van de Jeugdwet. Anders dan van de zijde van Stichting Jeugdbescherming wordt betoogd, acht ik het niet juist om aan te nemen dat de Jeugdwet bezuiniging of sanering níet tot doelstelling had, [55] en dat het een eigen keuze van de gemeenten is geweest om al dan niet te bezuinigen op de jeugdhulp. [56] Uit de hiervoor besproken parlementaire geschiedenis van de Jeugdwet (en de Wmo 2015) blijkt immers duidelijk dat het bezuinigen op de jeugdhulp (en maatschappelijke ondersteuning) steeds óók een doel is geweest. De steeds stijgende kosten van het voorheen geldende stelsel voor jeugdhulpvoorzieningen is expliciet benoemd als knelpunt van dat stelsel en het nieuwe stelsel had mede tot doel dat knelpunt te verhelpen (zie onder 3.4 en 3.6). Uit de parlementaire geschiedenis is ook af te leiden hoe die bezuinigingen onder de nieuwe Jeugdwet concreet gerealiseerd zouden kunnen worden (zie onder 3.6). Daaruit blijkt dat er dat het mogelijk maken van bezuinigingen op de jeugdzorg inherent was aan de vormgeving van het nieuwe stelsel. In verband hiermee heeft bij de parlementaire behandeling van de Jeugdwet van meet af aan als uitgangspunt gegolden dat op de over te hevelen budgetten voor jeugdzorg een korting van 15% zou worden toegepast. [57] Zoals gezegd (zie onder 3.11), is dit aspect van de stelselwijziging gedurende de gehele parlementaire behandeling ook onderwerp van kritische vragen uit Eerste en Tweede Kamer geweest.
doorde invoering van de Jeugdwet en de Wmo 2015 (en daarmee de intrekking van de Wet op de Jeugdzorg) hun wettelijke positie is vervallen en de daaraan gekoppelde subsidieverstrekking vanuit de provincies is stopgezet (althans: afgebouwd), terwijl bovendien hun wettelijke taken deels zijn vervallen, deels zijn samengevoegd met taken van andere instanties en deels zijn overgeheveld.
daardoornoodzakelijke vermindering of beëindiging van werkzaamheden, reorganisatie of fusie van de voorziening, zoals omschreven in art. 14 lid 1 van Pro de CAO Jeugdzorg. In feite betekent dit dat in deze uitleg een aanspraak op grond van art. 14 lid 1 van Pro de CAO nooit meer aan de orde zou kunnen zijn. Na de stelselwijziging kan immers
nooitmeer sprake zijn van een rechtstreeks ingrijpen in de financiering door de genoemde ministeries. Als (opnieuw) wordt ingegrepen in de financiering van de jeugdzorg, zal dat zijn door de gemeenten dan wel door het Rijk, door een verlaging van de uitkering aan de gemeenten.
gedurende de looptijdvan een CAO bepaalde (onvoorziene) juridische of feitelijke wijzigingen voordoen, waardoor de eerder geregelde CAO-aanspraak niet langer realiseerbaar is. In het onderhavige geval doet zich dat echter niet voor, omdat de onderhavige bepaling ook is opgenomen in de ná de invoering van de Jeugdwet en de Wmo 2015 afgesloten CAO Jeugdzorg, namelijk in art. 3.10 lid 2 CAO Jeugdzorg 2015-2016 (lopend vanaf 1 mei 2015, later verlengd tot 31 december 2016). Het spreekt niet aan om ook de bepaling in deze CAO op zodanige wijze uit te leggen, dat een aanspraak op wachtgeldregeling I
de factoonmogelijk is, omdat de voorwaarden daarvoor nooit te vervullen zijn. Dit geldt temeer nu de betreffende bepaling niet ‘blindelings’ is overgenomen, maar tekstueel geheel herschreven is, om een begrijpelijker tekst te krijgen. Het ligt niet in de rede dat de CAO-partijen een wachtgeldregeling hebben willen treffen die feitelijk een dode letter is.
elkereorganisatie in de jeugdzorg leidt tot een aanspraak volgens wachtgeldregeling I, waarmee wachtgeldregeling II tot een dode letter zou worden. [63]
op het gebied van de jeugdzorg, en (ii) een
daarmee gepaard gaandekorting op het budget voor jeugdzorg van 15%.
Met name dat laatste aspect is cruciaal voor de onderhavige kwestie. Daarvan kan dan ook niet geabstraheerd kan worden, zoals de Stichting Jeugdbescherming wenst. [65] De 15% korting op het budget voor jeugdzorg is ook expliciet meegenomen in de vraagstelling van de kantonrechter.
individuelebeslissing voor een
bepaalde werkgeveris vereist, deel ik die visie niet. In een dergelijke uitleg zou als ‘maatregel’ (uitsluitend) gelden een besluit in de zin van art. 1:3 Algemene Pro wet bestuursrecht. [66] Voor een dergelijke juridisch-technische uitleg van ‘maatregel’ zie ik geen aanknopingspunten. Los van hetgeen hiervoor is opgemerkt bij 4.9, geldt dat naar mijn mening zou moeten worden uitgegaan van de betekenis die ‘maatregel’ heeft in het gewone spraakgebruik. Van Dale omschrijft ‘maatregel’ als ‘schikking, ordening waardoor men een zaak regelt.’ [67] Onder deze ruime omschrijving valt ook ‘de invoering van de Jeugdwet en de Wmo 2015 en de daarmee gepaard gaande korting op het budget voor jeugdzorg van 15%.’
Tegen dit argument is hetzelfde in te brengen als hiervoor reeds is opgemerkt, namelijk dat onder het huidige stelsel van financiering van jeugdzorg geen concreet, op één bepaalde zorginstelling toegespitst financieringsbesluit van een van de ministers zal en kan worden genomen. Bovendien is op te merken dat de aldus geformuleerde voorwaarde, ‘een concreet en specifiek op één bepaalde zorginstelling, althans project, toegespitst financieringsbesluit van een van de ministeries’, wel een tamelijk extensieve uitleg is van wat er in de tekst van art. 14 lid 1 staat Pro, namelijk ‘
een door het Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport en/of het Ministerie van Veiligheid en Justitie opgelegde bezuinigings- en/of saneringsmaatregel.’ Voor zo’n extensieve uitleg zie ik geen grondslag.
De invoering van de Jeugdwet en de Wmo 2015 en de daarmee gepaard gaande korting op de naar de gemeenten overgehevelde budgetten voor jeugdzorg van 15% is te beschouwen als een opgelegde bezuinigings- en /of saneringsmaatregel als bedoeld in art. 14 lid 1 van Pro de CAO Jeugdzorg 2014-2015 respectievelijk art. 3.10 lid 2 van de CAO Jeugdzorg 2015-2016.”