ECLI:NL:PHR:2017:340

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 april 2017
Publicatiedatum
16 mei 2017
Zaaknummer
16/03845
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt strafoplegging wegens onvoldoende motivering eerdere onherroepelijke veroordeling

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens bezit en aanbieden van kinderpornografisch materiaal en dierenporno. Het hof motiveerde de straf mede door te verwijzen naar een uittreksel Justitiële Documentatie waaruit zou blijken dat de verdachte eerder onherroepelijk was veroordeeld, wat de ernst van het feit zou verhogen.

Bij nadere bestudering van het uittreksel Justitiële Documentatie bleek echter dat de verdachte voor de relevante periode niet onherroepelijk was veroordeeld voor een strafbaar feit dat de huidige feiten voorafging. De eerdere veroordeling betrof een onherroepelijke uitspraak van 2013 over feiten gepleegd vóór de onderhavige feiten, maar het hof had ten onrechte aangenomen dat deze eerdere veroordeling de huidige feiten voorafging en strafverzwarend kon zijn.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof de strafoplegging onvoldoende heeft gemotiveerd door deze onjuiste veronderstelling en vernietigt daarom het onderdeel van het arrest dat betrekking heeft op de strafoplegging. De zaak wordt terugverwezen naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe beoordeling van de strafoplegging, terwijl het overige beroep wordt verworpen.

Deze uitspraak benadrukt het belang van een nauwkeurige en feitelijk correcte motivering van de strafoplegging, in het bijzonder bij verwijzing naar eerdere veroordelingen en de gevolgen daarvan voor de strafmaat.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging wegens ontoereikende motivering en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

Nr. 16/03845
Zitting: 18 april 2017
Mr. A.E. Harteveld
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 22 maart 2016 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. “een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben en aanbieden, meermalen gepleegd” en 2. “een afbeelding van een ontuchtige handeling, waarbij een mens en een dier waren betrokken of schijnbaar waren betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar.
Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte en mr. J.S. Nan, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het
middel
3.1. Het middel klaagt over de strafmotivering, in het bijzonder over de overweging van het hof, inhoudende dat de verdachte blijkens een uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 februari 2016 eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit en zich daardoor kennelijk niet van het plegen van de onderhavige feiten heeft laten weerhouden, welke vaststelling in het licht van de inhoud van dat uittreksel onbegrijpelijk is.
3.2. Het hof heeft met betrekking tot de strafoplegging het volgende overwogen:
“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het - gedurende een periode van bijna 2 jaar - bezitten en het via [...] aanbieden van kinderpornografisch materiaal. Het betreft onder meer materiaal van vergaande seksuele handelingen, waaronder het oraal, vaginaal en anaal binnendringen van het lichaam van een minderjarige. Een groot deel van de aangetroffen afbeeldingen betreft kinderen jonger dan 12 jaar. De verdachte heeft de norm die strekt tot de bescherming van jeugdigen tegen seksueel misbruik in ernstige mate geschonden. Door het bezit en aanbieden van kinderpornografisch materiaal wordt de productie daarvan gestimuleerd en in stand gehouden. Voor deze productie worden jonge kinderen ernstig seksueel misbruikt en uitgebuit. Het moge duidelijk zijn dat deze kinderen ten gevolge hiervan dikwijls langdurige psychische schade oplopen. Het hof rekent de verdachte zwaar aan dat hij hieraan door zijn handelen een bijdrage heeft geleverd.
Ook heeft de verdachte dierenporno in bezit gehad. Dit levert een schending van de goede zeden, alsmede van de integriteit van de betreffende dieren op.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 februari 2016, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat gezien de duur, en ernst van het feit, waarbij het hof met name ook betrekt het gegeven dat verdachte bij hem in zijn bezit zijnde kinderpornografische afbeeldingen ook aan anderen aanbood, een en ander bezien in samenhang van de LOVS-oriëntatiepunten niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke vrijheidsbeneming meebrengt. Een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur vormt een passende en geboden reactie.”
3.3. Bij de stukken van het geding bevindt zich een uittreksel Justitiële Documentatie van 18 februari 2016 betreffende de verdachte. Dit uittreksel vermeldt onder het kopje “volledig afgedane zaken betreffende misdrijven” dat de verdachte onherroepelijk is vrijgesproken voor de aan hem tenlastegelegde overtreding van artikel 162 lid 3 Wegenverkeerswet Pro 1994, en voorts dat een zaak betreffende de overtreding van artikel 12 lid 1 Vuurwerkbesluit Pro Wet milieugevaarlijke stoffen is geseponeerd. Bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 21 mei 2013 is de verdachte wegens Opiumwetdelicten (gepleegd in de periode van 30 september 2010 tot en met 29 september 2011) veroordeeld tot, onder meer, [1] een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis en acht maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Dit arrest is op 19 november 2013 onherroepelijk geworden.
3.4. De bewezenverklaarde feiten in de voorliggende zaak zijn gepleegd in de periode van 14 oktober 2010 tot en met 25 juli 2012. In de hiervoor onder 3.2 weergegeven strafmotivering heeft het hof vastgesteld dat de verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie van 18 februari 2016 eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit en dat dit hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Daarmee heeft het hof kennelijk als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verdachte vóór de pleegdata van de onderhavige feiten (in de periode van 14 oktober 2010 tot en met 25 juli 2012) onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit en dat het hof deze omstandigheid als strafverzwarend heeft aangemerkt. In het licht van de hiervoor onder 3.3 weergegeven inhoud van het uittreksel justitiële documentatie, zijn deze vaststelling en het daarop gebaseerde oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk, aangezien daarvoor geen steun is te vinden in voornoemd uittreksel. De strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd. [2]
3.5. Het middel treft doel.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Voorts is er ten aanzien van die feiten verbeurdverklaring dan wel teruggave van inbeslaggenomen goederen uitgesproken. Het uittreksel Justitiële Documentatie vermeldt tot slot nog een (onherroepelijke) afzonderlijke rechterlijke beslissing van het gerechtshof Den Haag van 21 mei 2013, waarbij aan de verdachte de verplichting is opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijke verkregen voordeel.
2.Zie onder meer HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:3073 (rov. 2.3), HR 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:308 (rov 3.3).