ECLI:NL:PHR:2017:356
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken handtekening advocaat
Verzoeker heeft op 1 maart 2017 een verzoekschrift tot cassatie ingediend tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 februari 2017, waarin de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van verzoeker werd beëindigd zonder hem de schone lei te verlenen.
Het verzoekschrift was niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, wat een vereiste is op grond van art. 426a lid 1 Rv. De griffie van de Hoge Raad heeft verzoeker op 3 maart 2017 geïnformeerd dat dit verzuim hersteld kon worden door een advocaat alsnog het verzoekschrift te ondertekenen.
Verzoeker heeft op 7 maart 2017 gemeld dat hij ondanks inspanningen geen advocaat bereid heeft gevonden om hem bij te staan. Het verzuim is niet binnen de gestelde termijn van 14 dagen na ontvangst van het oorspronkelijke verzoekschrift (uiterlijk 15 maart 2017) hersteld.
De conclusie van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad op 16 maart 2017 is dan ook dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn cassatieberoep.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig herstellen van het ontbreken van een handtekening van een advocaat bij de Hoge Raad.