Conclusie
middel
“Ten aanzien van het onder 7 subsidiair en 8 bewezenverklaarde:
- onder bewijsmiddel 23 niet opgenomen wordt “aan de kapstok” maar in plaats daarvan "in kast” (zaakdossier 2 pagina 23);
- het eerste gedachtestreepje niet overgenomen wordt;
- niet opgenomen wordt onder het tweede gedachtestreepje “Fossil”.
mededeling van verbalisant.
Doorzoeking woning [a-straat] te [plaats]
- zwarte horlogebox, merk windrose, met daarin 9 horloges van verschillende merken waaronder Louis Vuitton;
- blauwe plastic tas met daarin meerdere kleine gripzakjes met daarin vermoedelijk wiet en hasj;
- doorzichtige plastic tas met daarin meerdere voorgedraaide joints (vermoedelijk wiet);
- witte plastic tas met daarin kleine gripzakjes met daarin vermoedelijk (Thai) hasj;
- doorzichtige plastic tas met daarin meerdere kleine gripzakjes met daarin vermoedelijk hashj en opschrift “140x jam”
20. De verklaring van de
verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 5 augustus 2015.
Ten aanzien van het onder 7 subsidiair bewezenverklaarde:
Volgnummer 2, 1 horloge Elysee, herkend door aangever [betrokkene 1] , feit 7.
Volgnummer 4, 1 horloge Simon Cartier, herkend door aangever [betrokkene 1] , feit 7.
Volgnummer 10, 1 horloge Profuomo Benedetto, herkend door aangever [betrokkene 1] , feit 7.
Volgnummer 11, 1 horloge Profuomo Vanni, herkend door aangever [betrokkene 1] , feit
7.
Volgnummer 13, 1 horloge Profuomo loatm, herkend door aangever [betrokkene 1] , feit 7.
Volgnummer 14, 1 horloge Profuomo Emilio, herkend door aangever [betrokkene 1] , feit 7.
Volgnummer 15, 1 horloge Profuomo, herkend door aangever [betrokkene 1] , feit 7.
Volgnummer 16, 1 horloge Profuomo Casimiro, herkend door aangever [betrokkene 1] , feit 7.
Volgnummer 18, 1 horloge Rolex, herkend door aangever [betrokkene 1] , feit 7.
Volgnummer 19, 1 horloge Swatch, herkend door aangever [betrokkene 1] , feit 7.
Volgnummer 23, 1 horloge Hugh, herkend door aangever [betrokkene 1] , feit 7.
Ten aanzien van het onder 8 bewezenverklaarde:
Volgnummer 8, 1 horloge KLM.
Volgnummer 10, 1 horloge Seiko.”
Verbalisanten tonen de aangever de goederen met goednummers:
4667310, een horlogedoos;
4667321, het blauwe Louis Vuitton dameshorloge;
4667324, het groene Terner horloge
4667328, het DKNY dameshorloge met omklapbare band;
4667334, het Temer horloge met afbeelding bloem;
4667350, het KLM dameshorloge;
4667355, het Citizen dameshorloge gekocht als set;
4667359, het Seiko dameshorloge;
4667360, het Esprit dameshorloge;
4667772, het Swatch dameshorloge;
4667774, het Maxima horloge met de twee tijden;
4667784, het RST horloge, dat mijn man cadeau heeft gekregen van RST;
4667786, het Citizen herenhorloge gekocht als set;
4667793, Lorus herenhorloge;
4667799, het Louis Vuitton horloge met oranje band gekocht in Turkije;
(…)
Ten aanzien van de feiten 7 subsidiair en 8:
De verdachte dient vrijgesproken te worden nu hij ontkent wetenschap te hebben gehad van de aanwezigheid van de aangetroffen goederen in de woning.
Het hof verwerpt de verweren en overweegt hieromtrent als volgt.(…)Ten aanzien van de feiten 7 subsidiair en 8:
De voorwerpen, voornamelijk horloges, zijn aangetroffen in een kast waarin zich ook inbrekerswerktuigen bevonden alsmede hasj en voorgedraaide joints (zaaksdossier 2 bladzijde 23). De verdachte heeft bekend dat hij die hasj en die joints opzettelijk aanwezig had in zijn woning (proces-verbaal zitting rechtbank Amsterdam op 5 augustus 2015 bladzijde 3).
Het hof acht het, mede in het licht van het voorgaande, niet aannemelijk dat een derde zonder medeweten van de verdachte gestolen goederen zou bewaren in een kast in de woning van de verdachte.
Uit laatstgenoemde aangiftes en de herkenning van de goederen volgt dat het in deze zaak gaat om door misdrijf – te weten diefstal - verkregen goederen. [3] Nu de goederen in de woning van de verdachte zijn aangetroffen en verdachte de goederen daarmee in zijn macht had, [4] kan daaruit mijns inziens in beginsel worden afgeleid dat de verdachte door misdrijf verkregen goederen voorhanden heeft gehad. Het voorhanden hebben van gestolen goederen wil echter nog niet zeggen dat men ten tijde van het voorhanden krijgen van die goederen weet dat deze van misdrijf afkomstig zijn dan wel dat men zich ten tijde van het voorhanden krijgen van de goederen willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat deze van misdrijf afkomstig zijn. [5] In zijn conclusie voorafgaand aan Hoge Raad 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7259 constateerde mijn ambtgenoot Knigge dat in het geval van opzetheling de bewijsoverwegingen van de feitenrechter zich niet zelden beperken tot de vraag of er tijdens het voorhanden hebben sprake was van opzet. Daarbij wijst hij er op dat in het algemeen lijkt te gelden dat het bewijs zonder nadere, op het moment van verkrijging gerichte, bewijsmotivering ontoereikend is als niet bekend is hoe de verdachte aan het desbetreffende voorwerp is gekomen. In bijzondere gevallen kan dat anders zijn, met name als het gaat om voorwerpen waarvan de dubieuze herkomst uit de aard van de zaak voortvloeit, zoals het geval is bij op andermans naam staande waardepapieren. [6] Een ander, vergelijkbaar, bijzonder geval lijkt mij HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:678. Daar ging het om een gestolen Audi, terwijl (i) de verdachte (als bestuurder van de Audi) en zijn medeverdachte met zeer hoge snelheid wegreden toen de politie hen in een opvallend surveillancevoertuig naderde, (ii) op de vloer achter de rugleuning van de bestuurdersstoel een "jammer" is aangetroffen en dat een "jammer" ervoor zorgt dat alle radiosignalen in een bepaalde straal rondom het apparaat verstoord worden waardoor ook anti-autodiefstalsystemen niet meer functioneren, (iii) het dashboard, het dashboardkastje en het open dak van de auto beschadigd waren, en (iv) in aanmerking genomen dat verdachte geen enkele verklaring voor een en ander heeft gegeven. De Hoge Raad [7] vond – deze omstandigheden in aanmerking nemend - het oordeel van het Hof dat het niet anders kan dan dat de verdachte op het moment van het voorhanden krijgen van de auto "wist" dat de Audi van misdrijf afkomstig was, niet onbegrijpelijk. Ook daar vloeide - zoals ik het bekijk - uit de uiterlijke kenmerken van de zaak voort dat de ‘dubieuze herkomst’ voor de verdachte van het begin af aan wel vastgestaan moest hebben. Van zo’n bijzonder geval lijkt in de onderhavige zaak geen sprake. In deze zaak is sprake van de situatie waarin de bewijsoverwegingen van de feitenrechter zich hebben beperkt tot de vraag of er tijdens het voorhanden hebben van de bewezenverklaarde goederen sprake was van opzet. De overweging van het hof dat er in beginsel van kan worden uitgegaan dat degene die in een woning leeft ervan op de hoogte is welke voorwerpen zich daar bevinden, tenzij er aanwijzingen zijn voor het tegendeel, acht ik als gezegd op zichzelf niet onbegrijpelijk. Het hof lijkt er echter aan voorbij te gaan [8] dat niet alleen bewezen moet worden dat de verdachte de bewezenverklaarde goederen voorhanden heeft gehad maar ook dat hij ten tijde van het voorhanden krijgen opzet had op het van misdrijf afkomstig zijn van de goederen. [9] Uit de gebezigde bewijsmiddelen valt niet op te maken wanneer de verdachte de goederen voorhanden heeft gekregen en of voor hem ten tijde van de verkrijging kenbaar was dat de goederen gestolen waren.
Uit de bewijsconstructie en de nadere bewijsoverweging van het hof volgt derhalve niet zonder meer dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de goederen wist dat die goederen door misdrijf verkregen goederen betroffen. De bewezenverklaring van feit 7 subsidiair en feit 8 is niet naar de eis der wet met redenen omkleed.