ECLI:NL:PHR:2017:383

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 april 2017
Publicatiedatum
31 mei 2017
Zaaknummer
16/01929
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 lid 1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest opzetheling gestolen horloges en schoudertas wegens onvoldoende bewijs wetenschap verdachte

De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld voor opzetheling van diverse gestolen horloges en een schoudertas die in zijn woning waren aangetroffen, samen met inbrekerswerktuigen en drugs. Het hof oordeelde dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de goederen wist dat deze door misdrijf waren verkregen, mede gelet op zijn bewuste aanwezigheid van drugs in de woning en de locatie van de goederen.

In cassatie klaagde de verdediging over de bewezenverklaring dat verdachte wetenschap had van de herkomst van de goederen. De Hoge Raad overwoog dat het bewijs niet duidelijk maakt wanneer verdachte de goederen heeft verkregen en of hij toen wist dat deze gestolen waren. De omstandigheid dat verdachte in de woning woonde en de goederen daar waren aangetroffen, is onvoldoende om wetenschap te bewijzen zonder nadere motivering.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin wordt benadrukt dat voor opzetheling niet alleen het voorhanden hebben van goederen bewezen moet worden, maar ook dat verdachte opzet had omtrent de herkomst. De bewezenverklaring van het hof is daarom niet naar de eis der wet met redenen omkleed en wordt vernietigd. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Amsterdam voor hernieuwde beoordeling.

Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van de opzetheling.

Conclusie

Nr. 16/01929
Zitting: 18 april 2017
Mr. A.E. Harteveld
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 1 april 2016 door het gerechtshof Amsterdam – met vrijspraak van hetgeen onder 2, 6 primair, 6 subsidiair en 7 primair ten laste is gelegd en niet-ontvankelijk verklaring in hoger beroep ter zake van feit 9 - wegens 1. “poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, 3. “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, 4. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, 5. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, 7 subsidiair. en 8. telkens: “opzetheling” en 10. “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, met aftrek en met verbeurdverklaring dan wel teruggave of bewaring ten behoeve van de rechthebbende van inbeslaggenomen voorwerpen zoals in het arrest omschreven.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het
middel
3.1. Het middel klaagt over de bewezenverklaring van feit 7 subsidiair en 8. In het bijzonder volgt niet uit de bewijsmiddelen dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de in de bewezenverklaring genoemde goederen wist dat die door misdrijf verkregen waren.
3.2. Ten aanzien van de verdachte is, voor zover van belang, bewezenverklaard dat:
“7 subsidiair:
hij op 17 december 2013 te Amsterdam twaalf horloges (merken Adee Kaye en Profuomo en Simon Carter en imitatie Rolex en Longine Grande en Elysee en hUGH) en een schoudertas, merk Profuomo voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;
8:
hij op 17 december 2013 te Amsterdam een grote hoeveelheid horloges (onder andere merken Esprit en Seiko en KLM en met logo RST) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.”
3.3. De bewezenverklaring steunt, voor zover van belang, op de volgende bewijsmiddelen:

“Ten aanzien van het onder 7 subsidiair en 8 bewezenverklaarde:

18. Het hof neemt over de bewijsmiddelen zoals vermeld in de aanvulling verkort vonnis waarvan beroep onder de nummers 22, 23 en 25, met dien verstande dat
- onder bewijsmiddel 23 niet opgenomen wordt “aan de kapstok” maar in plaats daarvan "in kast” (zaakdossier 2 pagina 23);
- het eerste gedachtestreepje niet overgenomen wordt;
- niet opgenomen wordt onder het tweede gedachtestreepje “Fossil”.
19. Een proces-verbaal, met bijlage, met nummer 2013125826 van 19 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] [zaaksdossier 2 doorgenummerde pagina’s 20 tot en met 33].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van verbalisant.

Doorzoeking woning [a-straat] te [plaats]

In kast:
- witte plastic tas met daarin 22 horloges van verschillende merken, waaronder Louis Vuitton, Seiko, Omega etc.
- zwarte horlogebox, merk windrose, met daarin 9 horloges van verschillende merken waaronder Louis Vuitton;
- blauwe plastic tas met daarin meerdere kleine gripzakjes met daarin vermoedelijk wiet en hasj;
- doorzichtige plastic tas met daarin meerdere voorgedraaide joints (vermoedelijk wiet);
- witte plastic tas met daarin kleine gripzakjes met daarin vermoedelijk (Thai) hasj;
- doorzichtige plastic tas met daarin meerdere kleine gripzakjes met daarin vermoedelijk hashj en opschrift “140x jam”
20. De verklaring van de
verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 5 augustus 2015.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven
Het is juist dat ik op 17 december 2013 in mijn woning aan de [a-straat] te [plaats] opzettelijk aanwezig heb gehad meerdere zakjes bevattende 1209 gram hennep, meerdere zakjes bevattende 1348 gram hasjiesj, sigaretten bevattende hennep, 64 sigaretten bevattende hasjiesj en 19,9 gram tetrahydrocannabinol.

Ten aanzien van het onder 7 subsidiair bewezenverklaarde:

21. Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL13EQ-2013125826-48, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , registratiedatum 18 december 2013 (dossier beslag en methodieken).
Dit verslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Tijdens doorzoeking van de woning [a-straat] [plaats] op 17 december 2013 plastic tas inhoudende 22 horloges aangetroffen in de halkast.
Volgnummer 2, 1 horloge Elysee, herkend door aangever [betrokkene 1] , feit 7.
Volgnummer 4, 1 horloge Simon Cartier, herkend door aangever [betrokkene 1] , feit 7.
Volgnummer 10, 1 horloge Profuomo Benedetto, herkend door aangever [betrokkene 1] , feit 7.
Volgnummer 11, 1 horloge Profuomo Vanni, herkend door aangever [betrokkene 1] , feit
7.
Volgnummer 13, 1 horloge Profuomo loatm, herkend door aangever [betrokkene 1] , feit 7.
Volgnummer 14, 1 horloge Profuomo Emilio, herkend door aangever [betrokkene 1] , feit 7.
Volgnummer 15, 1 horloge Profuomo, herkend door aangever [betrokkene 1] , feit 7.
Volgnummer 16, 1 horloge Profuomo Casimiro, herkend door aangever [betrokkene 1] , feit 7.
Volgnummer 18, 1 horloge Rolex, herkend door aangever [betrokkene 1] , feit 7.
Volgnummer 19, 1 horloge Swatch, herkend door aangever [betrokkene 1] , feit 7.
Volgnummer 23, 1 horloge Hugh, herkend door aangever [betrokkene 1] , feit 7.
22. Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL13EQ-2013125826-41, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] registratiedatum 17 december 2013 (dossier beslag en methodieken).
Dit verslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Tijdens doorzoeking van de woning [a-straat] [plaats] op 17 december 2013 op wit tafeltje aangetroffen 1 horloge, Longines, herkend door aangever [betrokkene 1] , feit 7.
23. Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL13EQ-2013125826-41, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , registratiedatum 17 december 2013 (dossier beslag en methodieken).
Dit verslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Tijdens doorzoeking van de woning [a-straat] [plaats] op 17 december 2013 bruin leren tas aangetroffen in de hal kast, herkend door aangever [betrokkene 1] , feit 7.
24. Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL13EQ-2013125826-41, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] registratiedatum 17 december 2013 (dossier beslag en methodieken).
Dit verslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Tijdens doorzoeking van de woning [a-straat] [plaats] op 17 december 2013 op wit tafeltje aangetroffen 1 horloge, Adee Kaye, herkend door aangever [betrokkene 1] , feit 7.
25. Het hof neemt over de bewijsmiddelen zoals vermeld in de aanvulling verkort vonnis waarvan beroep onder nummer 24.

Ten aanzien van het onder 8 bewezenverklaarde:

26. Het hof neemt over de bewijsmiddelen zoals vermeld in de aanvulling verkort vonnis waarvan beroep onder de nummers 26, 27 en 28.
27. Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL13EQ-2013125826-42, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] registratiedatum 17 december 2013 (dossier beslag en methodieken).
Dit verslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Tijdens doorzoeking van de woning [a-straat] [plaats] op 17 december 2013 zwartkleurig kastje aangetroffen in de halkast met daarin 9 horloges.
Volgnummer 2, 1 horloge Esprit.
Volgnummer 8, 1 horloge KLM.
Volgnummer 10, 1 horloge Seiko.”
3.4.
De bewijsmiddelen met de nummers 22 tot en met 28 zoals opgenomen in de aanvulling verkort vonnis, waarnaar het hof in de aanvulling op het verkort arrest verwijst, houden in:
“22. De verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het is juist dat ik tot mijn aanhouding woonde op het adres [a-straat] te [plaats] .
23. Een proces-verbaal van doorzoeking met nummer 2013125826 van 19 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (onderzoek 13LAMA, zaakdossier 2, doorgenummerde pagina’s 20 t/m 33).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisant, zakelijk weergegeven:
Op 17 december 2013 werd door verbalisanten, waaronder verbalisant, binnengetreden in een portiekwoning, [a-straat] te [plaats] . De voordeur werd geopend door [verdachte] , die vervolgens gelijk werd aangehouden. In de woning is onder meer aangetroffen en in beslag genomen:
aan de kapstok:
- een bruine leren tas met daarin meerdere inbrekerswerktuigen, namelijk 5 schroevendraaiers, 4 slotentrekkers en meerdere torx-schroeven;
- een witte plastic tas met daarin 22 horloges van verschillende merken, waaronder Fossil, Louis Vuitton, Seiko, Omega, etc;
- een zwarte horlogebox, merk Windrose, met daarin 9 horloges van verschillende merken, waaronder Louis Vuitton;
(Gelet op de foto’s op doorgenummerde pagina 25 begrijpt de rechtbank dat in de witte tas 22 losse horloges en de horlogebox met daarin 9 horloges zijn aangetroffen.)
Op de salontafel:
- horloge merk Cartier;
- horloge merk Breguet;
Op het witte bijzettafeltje:
- horloge merk Dunhill;
- horloge merk LK;
- horloge merk Longines;
- horloge merk Adee Kaye;
- horloge merk Mont Blanc.
24. Een proces-verbaal van verhoor aangever met nummer 20213125826 van 18 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (onderzoek 13LAMA, zaakdossier 4, doorgenummerde pagina 54 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [betrokkene 1] , zakelijk weergegeven:
Op 13 september 2013 is ingebroken in mijn woning aan de [b-straat] te [plaats] , waarbij onder meer een lederen schoudertas van Profuomo en ongeveer 15 horloges zijn weggenomen, die ik voor u omschrijf. De Rolex is een imitatie.
Verbalisanten tonen de aangever de goederen met goednummers:
4667147 schoudertas merk Profuomo;
4667201 herenhorloge merk Longines Grande;
4667257 herenhorloge merk Adee Kaye;
4667770 herenhorloge merk Rolex;
4667788 herenhorloge merk hUGH;
4667791 herenhorloge merk Elysee;
4667795 herenhorloge merk Simon Carter;
4667806 herenhorloge merk Profuomo;
4667808 herenhorloge merk Profuomo;
4667809 herenhorloge merk Profuomo;
4667811 herenhorloge merk Profuomo;
4667813 herenhorloge merk Profuomo;
4667815 herenhorloge merk Profuomo;
die de aangever herkent als de door hem omschreven goederen of als nog niet eerder door hem gemiste buit van de inbraak.
25. Een geschrift, zijnde een index beslagdossier met nummer 2013125826 in het onderzoek 13LAMA met verdachte: [verdachte] (eerste 3 pagina’s).
Dit geschrift houder onder meer in, zakelijk weergegeven:
Goednummer Omschrijving
4667147 HERENTAS
4667201 HORLOGE
4667257 HORLOGE
4667310 KIST
4667317 HORLOGE
4667321 HORLOGE
4667324 HORLOGE
4667328 HORLOGE
4667334 HORLOGE
4667350 HORLOGE
4667355 HORLOGE
4667359 HORLOGE
4667360 HORLOGE
4667765 HORLOGE
4667770 HORLOGE
4667772 HORLOGE
4667774 HORLOGE
4667784 ARUBA 2008
4667786 WR100
4667788 HUGH
4667791 ELYSEE
4667793 HORLOGE
4667795 CARTER
4667799 QUARTZ
4667804 HORLOGE
4667806 BENEDETTO
4667808 VANNI
4667809 10ATM W/R
4667811 EMILIO
4667813 HORLOGE
4667815 CASIMIRO
26. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL17PO-2013282932-1 van 27 september 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] (onderzoek 13LAMA, zaakdossier 5, doorgenummerde pagina’s 29 t/m 33).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [betrokkene 2] , zakelijk weergegeven:
Mede namens [betrokkene 3] doe ik aangifte van diefstal uit onze woning [c-straat] te [plaats] , gepleegd tussen 11 september 2013 om 13:05 uur en 14 september 2013 om 13:05 uur. Bij de diefstal zijn onder meer 2 horlogedozen met horloges en een Seiko horloge weggenomen. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
27. Een proces-verbaal van verhoor aangever met nummer 2013125826 van 17 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] (onderzoek 13LAMA, zaakdossier 5, doorgenummerde pagina 42).Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [betrokkene 2] , zakelijk weergegeven:
U toont mij foto’s van in beslag genomen horloges. Ik herken onder meer goednummer 4667765 als een horloge van mijn vrouw.
28. Een proces-verbaal van verhoor aangever met nummer 2013125826 van 17 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (onderzoek 13LAMA, zaakdossier 5, doorgenummerde pagina’s 65 t/m 69).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [betrokkene 3] , zakelijk weergegeven:
Ik omschrijf de weggenomen horloges. U toont mij foto’s van in beslag genomen horloges. Ik herken als bij de inbraak weggenomen de goednummers:
4667310, een horlogedoos;
4667317, het gele Temer horloge;
4667321, het blauwe Louis Vuitton dameshorloge;
4667324, het groene Terner horloge
4667328, het DKNY dameshorloge met omklapbare band;
4667334, het Temer horloge met afbeelding bloem;
4667350, het KLM dameshorloge;
4667355, het Citizen dameshorloge gekocht als set;
4667359, het Seiko dameshorloge;
4667360, het Esprit dameshorloge;
4667772, het Swatch dameshorloge;
4667774, het Maxima horloge met de twee tijden;
4667784, het RST horloge, dat mijn man cadeau heeft gekregen van RST;
4667786, het Citizen herenhorloge gekocht als set;
4667793, Lorus herenhorloge;
4667799, het Louis Vuitton horloge met oranje band gekocht in Turkije;
4667804, Seiko herenhorloge.”
3.5.
Het hof heeft in zijn arrest onder de kop “gevoerde verweren” (pag. 4) nog het volgende overwogen:
“De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van zijn overgelegde pleitnota het volgende betoogd.
(…)
Ten aanzien van de feiten 7 subsidiair en 8:
De verdachte dient vrijgesproken te worden nu hij ontkent wetenschap te hebben gehad van de aanwezigheid van de aangetroffen goederen in de woning.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt hieromtrent als volgt.(…)Ten aanzien van de feiten 7 subsidiair en 8:

Niet betwist is dat de verdachte woonachtig is op het adres [a-straat] te [plaats]. In beginsel kan er van uitgegaan worden dat degene die in een woning leeft ervan op de hoogte is welke voorwerpen zich daar bevinden, tenzij er aanwijzingen zijn voor het tegendeel.
De voorwerpen, voornamelijk horloges, zijn aangetroffen in een kast waarin zich ook inbrekerswerktuigen bevonden alsmede hasj en voorgedraaide joints (zaaksdossier 2 bladzijde 23). De verdachte heeft bekend dat hij die hasj en die joints opzettelijk aanwezig had in zijn woning (proces-verbaal zitting rechtbank Amsterdam op 5 augustus 2015 bladzijde 3).
Het hof acht het, mede in het licht van het voorgaande, niet aannemelijk dat een derde zonder medeweten van de verdachte gestolen goederen zou bewaren in een kast in de woning van de verdachte.
Het hof acht derhalve niet aannemelijk geworden dat de verdachte geen wetenschap heeft gehad van de aangetroffen goederen in zijn woning.”
3.6.
De ten laste gelegde gedragingen die ten aanzien van de verdachte zijn bewezenverklaard zijn toegespitst op artikel 416 lid 1 aanhef Pro en onder a Sr. De delictsomschrijving vereist, voor zover hier van belang, dat de pleger ten tijde van het voorhanden krijgen van het goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Onder het vereiste “weten” dat een goed door misdrijf is verkregen in de zin van deze bepaling is tevens begrepen de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat een goed van misdrijf afkomstig is. [1]
3.7.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de woning van verdachte in een witte plastic tas en een zwarte horlogebox die zich in een kast bevonden, een hoeveelheid horloges is aangetroffen. Daarnaast lagen in deze kast enkele plastic tassen met daarin drugs [2] en een bruin leren schoudertas. Op de salontafel en een bijzettafeltje zijn eveneens verscheidene horloges aangetroffen. De aangetroffen horloges en de schoudertas zijn blijkens de bewijsmiddelen inbeslaggenomen. Door een drietal personen is aangifte gedaan van diefstal van de in de bewezenverklaring van feit 7 subsidiair en feit 8 genoemde goederen. De aangevers hebben de in de woning van verdachte aangetroffen goederen voorts herkend.
Uit laatstgenoemde aangiftes en de herkenning van de goederen volgt dat het in deze zaak gaat om door misdrijf – te weten diefstal - verkregen goederen. [3] Nu de goederen in de woning van de verdachte zijn aangetroffen en verdachte de goederen daarmee in zijn macht had, [4] kan daaruit mijns inziens in beginsel worden afgeleid dat de verdachte door misdrijf verkregen goederen voorhanden heeft gehad. Het voorhanden hebben van gestolen goederen wil echter nog niet zeggen dat men ten tijde van het voorhanden krijgen van die goederen weet dat deze van misdrijf afkomstig zijn dan wel dat men zich ten tijde van het voorhanden krijgen van de goederen willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat deze van misdrijf afkomstig zijn. [5] In zijn conclusie voorafgaand aan Hoge Raad 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7259 constateerde mijn ambtgenoot Knigge dat in het geval van opzetheling de bewijsoverwegingen van de feitenrechter zich niet zelden beperken tot de vraag of er tijdens het voorhanden hebben sprake was van opzet. Daarbij wijst hij er op dat in het algemeen lijkt te gelden dat het bewijs zonder nadere, op het moment van verkrijging gerichte, bewijsmotivering ontoereikend is als niet bekend is hoe de verdachte aan het desbetreffende voorwerp is gekomen. In bijzondere gevallen kan dat anders zijn, met name als het gaat om voorwerpen waarvan de dubieuze herkomst uit de aard van de zaak voortvloeit, zoals het geval is bij op andermans naam staande waardepapieren. [6] Een ander, vergelijkbaar, bijzonder geval lijkt mij HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:678. Daar ging het om een gestolen Audi, terwijl (i) de verdachte (als bestuurder van de Audi) en zijn medeverdachte met zeer hoge snelheid wegreden toen de politie hen in een opvallend surveillancevoertuig naderde, (ii) op de vloer achter de rugleuning van de bestuurdersstoel een "jammer" is aangetroffen en dat een "jammer" ervoor zorgt dat alle radiosignalen in een bepaalde straal rondom het apparaat verstoord worden waardoor ook anti-autodiefstalsystemen niet meer functioneren, (iii) het dashboard, het dashboardkastje en het open dak van de auto beschadigd waren, en (iv) in aanmerking genomen dat verdachte geen enkele verklaring voor een en ander heeft gegeven. De Hoge Raad [7] vond – deze omstandigheden in aanmerking nemend - het oordeel van het Hof dat het niet anders kan dan dat de verdachte op het moment van het voorhanden krijgen van de auto "wist" dat de Audi van misdrijf afkomstig was, niet onbegrijpelijk. Ook daar vloeide - zoals ik het bekijk - uit de uiterlijke kenmerken van de zaak voort dat de ‘dubieuze herkomst’ voor de verdachte van het begin af aan wel vastgestaan moest hebben. Van zo’n bijzonder geval lijkt in de onderhavige zaak geen sprake. In deze zaak is sprake van de situatie waarin de bewijsoverwegingen van de feitenrechter zich hebben beperkt tot de vraag of er tijdens het voorhanden hebben van de bewezenverklaarde goederen sprake was van opzet. De overweging van het hof dat er in beginsel van kan worden uitgegaan dat degene die in een woning leeft ervan op de hoogte is welke voorwerpen zich daar bevinden, tenzij er aanwijzingen zijn voor het tegendeel, acht ik als gezegd op zichzelf niet onbegrijpelijk. Het hof lijkt er echter aan voorbij te gaan [8] dat niet alleen bewezen moet worden dat de verdachte de bewezenverklaarde goederen voorhanden heeft gehad maar ook dat hij ten tijde van het voorhanden krijgen opzet had op het van misdrijf afkomstig zijn van de goederen. [9] Uit de gebezigde bewijsmiddelen valt niet op te maken wanneer de verdachte de goederen voorhanden heeft gekregen en of voor hem ten tijde van de verkrijging kenbaar was dat de goederen gestolen waren.
Uit de bewijsconstructie en de nadere bewijsoverweging van het hof volgt derhalve niet zonder meer dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de goederen wist dat die goederen door misdrijf verkregen goederen betroffen. De bewezenverklaring van feit 7 subsidiair en feit 8 is niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
3.8.
Het middel slaagt.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft het onder 7 subsidiair en 8 bewezenverklaarde en de strafoplegging en tot terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 19 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1812 (rov. 6.1) en HR 16 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1828 (rov. 6.2). Zie voorts HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5527 (rov. 2.3).
2.Nu het middel zicht keert tegen de bewezenverklaarde opzetheling van de in feit 7 subsidiair en 8 genoemde goederen, blijven de in de woning van verdachte aangetroffen drugs in het navolgende buiten beschouwing.
3.Zie ook HR 6 december 1943, NJ 1944/270.
4.Vgl. de conclusies voorafgaand aan HR 8 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:877 en HR 14 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3675.
5.Zie HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:955, met name de conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga onder punt 8.
6.Zie bijvoorbeeld HR 16 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8447 (niet gepubl.), waarin de verdachte gebruik maakte van een gestolen creditcard, terwijl die creditcard bovendien zeer kort daarvoor was ontvreemd. Vgl. ook HR 27 april 2004, NJ 2004, 494: ten aanzien van een partij van 25 blanco Duitse rijbewijzen geldt dat het een feit van algemene bekendheid is dat een zodanig grote partij blanco rijbewijzen, in het bezit van anderen dan de bevoegde instanties, niet anders dan door misdrijf kan zijn verkregen.
7.Weliswaar anders dan de conclusie van de A-G.
8.Daarbij moet wel worden opgemerkt dat het hof strikt genomen heeft gerespondeerd op het door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer, dat zag op de ‘wetenschap’ als onderdeel van het voorhanden hebben van de voorwerpen.
9.Zie HR 14 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3675 en de conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga onder punt 12, en de daar genoemde jurisprudentie: HR 29 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9314, HR 30 november 1999, ECLI:NL:HR:ZD1641 en HR 13 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU5804. Zie voorts ook HR 23 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6912.