Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de oplegging van de ontnemingsmaatregel onvoldoende met redenen zijn omkleed, aangezien het hof daarbij ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het in de strafzaak verbeurd verklaarde geldbedrag van € 2.290,60.
(i) In de bijbehorende strafzaak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, de betrokkene bij vonnis van 28 januari 2014 ter zake van het opzettelijk verkopen van (handels)hoeveelheden cocaïne in de periode van 1 augustus 2012 tot en met 18 april 2013 en in de periode van 20 april 2013 tot en met 31 juli 2013 (feit 1), het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 32 gram cocaïne op 31 juli 2013 (feit 2) en het opzettelijk vervoeren van ongeveer 125 gram cocaïne op 19 april 2013 (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden. Voorts heeft de rechtbank onder meer een inbeslaggenomen geldbedrag van € 2.290,60 verbeurd verklaard. Daartoe heeft de rechtbank vastgesteld dat dit geldbedrag toebehoort aan de betrokkene en geheel of grotendeels door middel van de verkoop van drugs (feit 1) is verkregen. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.
(ii) In de onderhavige ontnemingszaak heeft het hof overwogen dat de betrokkene door middel van het begaan van het in het strafvonnis onder 1 bewezen verklaarde feit en andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, te weten de verkoop van cocaïne op 31 juli 2012 en op 19 april 2013, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Bij de schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel is het hof uitgegaan van een ontnemingsperiode van 31 juli 2012 tot 31 juli 2013. Vervolgens heeft het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene, overeenkomstig de beslissing van de rechtbank in eerste aanleg en de vordering van de advocaat-generaal bij het hof, op basis van het financieel rapport van de politie (“de voordeelsrapportage”) geschat op een bedrag van € 15.465,- en voor datzelfde bedrag een betalingsverplichting opgelegd aan de betrokkene.
tweede middelbevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.