Conclusie
1.Feiten
flash over effect. De diesel in de tank van de luchtdrukcompressor was
zeer mogelijkeerst tot ontbranding gekomen. (…) De benzinetank van de vrachtauto ontstak dientengevolge waardoor een luidere knal werd gehoord.”
2.Procesverloop
sub contractorvan Taliesin dan wel een door Taliesin geaccordeerde nadere
sub contractor. Taliesin is niet met WWR overeengekomen dat WWR de werkzaamheden daadwerkelijk door een ander kon en mocht laten uitvoeren. Het aannemingscontract had slechts betrekking op de relatie tussen Taliesin en WWR waar beide partijen een eigen aansprakelijkheid kennen voor hun personeel en in dit geval aangetrokken derden (randnummer 12).
‘De vermoedelijke oorzaak is gelegen in de luchtcompressor die werd gebruikt bij de sloopwerkzaamheden.
’Verder is in dit expertiserapport gesteld dat opdracht is gegeven aan een deskundige op het gebied van compressoren om nader onderzoek in te stellen naar de oorzaak van de explosie. Gesteld noch gebleken is dat
ditnadere onderzoek heeft plaatsgevonden.
: ‘Gelet op het algemene brandbeeld en de afgelegde verklaringen, is het zeer waarschijnlijk dat de brand in de entree van het toenmalige Beach Club Hotel is ontstaan. Dit, gezien de vrij zware vuurbelasting op de pilaren en het plafond van de entree waarbij de stuclaag (pleisterwerk) afbrokkelde en mede gelet op de blakering (beroetingsbeeld) op de noordwestelijke binnenmuur van Gemsland en noordoostelijke binnenmuur van Ama Diamond International. Het beroetingsbeeld heeft een V-vorm, waarbij kan worden aangenomen dat de brandhaard in het midden van de genoemde muren woedde. Ook buiten op de voorgevel van het gebouw is dit verschijnsel waarneembaar. De luchtdrukcompressor was door de hitte inwerking van de brand zodanig verwoest, waardoor geen betrouwbaar beeld kan worden verkregen over het ontstaan of de origine van de brand in/aan de luchtcompressor. (...)’(vergelijk proces-verbaal 26 oktober 2003 van [verbalisant] ).
nietworden afgeleid dat de luchtcompressor de oorzaak is geweest van de brand en mag derhalve niet de conclusie worden getrokken dat de schade van de Verzekeraar door de luchtcompressor is veroorzaakt (vergelijk ook bevindingen van Noordzij).”
surveyor engineerbij Independent Expertice Bureau Inc., die heeft verklaard dat hem tijdens het onderzoek niet was toegestaan de compressor te ontmantelen. Hij heeft verder verklaard dat de oorzaak van de brand door het onderzoek niet kon worden vastgesteld en dat vooralsnog niet van een gebrek is gebleken, maar dat nader onderzoek aan de compressor nodig is (randnummer 13(2)).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 2richt zich eveneens tegen rov. 3.5 e.v., maar dan met de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de bewijslast van genoemde stelling over het defect aan de luchtcompressor op Ennia c.s. rust. Ennia c.s. betogen in dat verband dat zij in hun bewijspositie zijn geschaad, doordat WWR de luchtdrukcompressor niet heeft bewaard en nader onderzoek daaraan heeft verhinderd. Volgens Ennia c.s. heeft het hof miskend dat deze omstandigheid een omkering van de bewijslast, althans een verzwaarde stelplicht voor WWR, kan rechtvaardigen en in dat verband had moeten worden meegewogen (verder hierna 3.20 e.v.).
Onderdeel 3bouwt in eerste instantie voort op de klachten van onderdelen 1 en 2 en klaagt dat het oordeel van het hof dat Ennia c.s. genoemde stelling over het defect aan de luchtcompressor dienden te bewijzen niet in stand kan blijven. Ennia c.s. bepleiten verder dat het hof het betoog over het ontbreken van veiligheidsmaatregelen en toezicht niet had mogen passeren met de overweging dat geen causaal verband met de brand is komen vast te staan. Volgens Ennia c.s. had het hof met toepassing van de omkeringsregel het bestaan van causaal verband (in de zin van condicio sine qua non-verband) tussen de gestelde normschendingen en het ontstaan van de schade (behoudens tegenbewijs) kunnen en moeten aannemen. Ook zou het hof ten onrechte voorbij zijn gegaan aan het aanbod van Ennia c.s. om getuige [getuige] te horen. Verder zou het hof niet hebben gerespondeerd op het beroep op art. 6:171, 6:76 en 6:173 jo. 6:181 BW als grondslagen voor aansprakelijkheid. Bovendien zou de overweging dat niet vaststaat wat de oorzaak van de brand is niet de integrale verwerping kunnen dragen van het betoog over het ontbreken van veiligheidsmaatregelen en toezicht (verder hierna 3.24 e.v.).
Subonderdeel 1.1werkt deze algemene klacht nader uit door erop te wijzen dat Taliesin c.s. ieder hebben aangevoerd dat de brand niet door (een defect aan) de luchtdrukcompressor maar door een andere oorzaak was ontstaan. Met name WWR heeft in randnummer 35 van haar memorie van antwoord meerdere alternatieve oorzaken aangedragen (hiervoor 2.41. Volgens het subonderdeel is hier sprake van een bevrijdend verweer.
subonderdeel 1.2heeft het hof vervolgens miskend dat de bewijslast van dit bevrijdende verweer op Taliesin c.s. rustte en had het hof Taliesin c.s. daarom (eerst) moeten belasten met bewijslevering van dit bevrijdend verweer. Het hof zou in dat licht ten onrechte uitsluitend hebben geoordeeld dat de bewijslast van de stelling dat de brand is ontstaan door (een defect aan) de compressor op de voet van art. 129 Rv Pro Sint Maarten [44] op Ennia c.s. rust.
Subonderdeel 1.3klaagt dat het hof heeft miskend dat hetgeen Taliesin c.s. hebben aangevoerd niet slechts een betwisting is, maar een bevrijdend verweer waarvan volgens de hoofdregel van art. 129 Rv Pro Sint Maarten de bewijslast op Taliesin c.s. rustte. Zij hebben immers aangevoerd dat de compressor deugdelijk was en dat de brand door een andere oorzaak is ontstaan.
Subonderdeel 1.4tenslotte bevat geen zelfstandige klacht, maar resumeert dat het hof ten onrechte niet eerst het bevrijdende verweer van Taliesin c.s. heeft onderzocht, alvorens de stelling van Ennia c.s. dat de brand en daarmee de schade is ontstaan door een gebrek aan de luchtdrukcompressor te beoordelen.
onderdeel 1nemen alle tot uitgangspunt dat het verweer van Taliesin c.s., dat de brand niet is ontstaan door een gebrek aan de luchtdrukcompressor maar door een andere oorzaak, als een bevrijdend verweer dient te worden gekwalificeerd. Nu deze stelling als een bevrijdend verweer heeft te gelden, rustte de bewijslast ervan volgens de verschillende subonderdelen op Taliesin c.s., hetgeen het hof echter zou hebben miskend. Bovendien zou het hof eraan voorbij hebben gezien dat Taliesin c.s. eerst met het bewijs van deze stelling hadden moeten worden belast, alvorens tot beoordeling van de stelling van Ennia c.s. kon worden overgegaan.
subonderdelen 1.1en
1.3falen.
Subonderdeel 1.1verdedigt dat de stelling van Taliesin c.s. dat de brand door een andere oorzaak was ontstaan een bevrijdend verweer oplevert.
Subonderdeel 1.3voegt daaraan toe dat ook de stelling dat de compressor deugdelijk was als bevrijdend verweer kwalificeert. Uit het vorenstaande vloeit voort dat deze subonderdelen geen doel treffen. De genoemde verweren vormen immers een (gemotiveerde) betwisting van de stellingen die Ennia c.s. ter onderbouwing van de aansprakelijkheid naar voren hebben gebracht en kwalificeren dus niet als bevrijdende verweren.
subonderdeel 1.2vergeefs is voorgesteld. Zoals hiervoor is toegelicht, vormt het verweer van Taliesin c.s. een gemotiveerde betwisting. Op grond van de hoofdregel van art. 129 Rv Pro Sint Maarten dragen Taliesin c.s. niet de bewijslast van de feiten die zij ter motivering van deze betwisting aandragen. Van die hoofdregel kan op grond van de redelijkheid en billijkheid worden afgeweken, [48] maar daarvoor heeft het hof op de in rov. 3.6 genoemde (en in onderdeel 2 van het cassatiemiddel bestreden hierna onder 3.20 e.v. te bespreken) gronden geen aanleiding gezien.
subonderdelen 1.1, 1.2en
1.3treffen dus geen doel.
Subonderdeel 1.4bevat geen aparte klacht, maar slechts een conclusie van de voorgaande subonderdelen. Het
subonderdeel 1.4behoeft daarom geen aparte bespreking. Alle klachten van
onderdeel 1van het middel falen.
Subonderdeel 2.1klaagt dat het hof heeft miskend dat aanleiding bestond om de bewijslast ten aanzien van de oorzaak van de brand om te keren en deze bij WWR te leggen, nu WWR de luchtdrukcompressor niet heeft bewaard. Daarmee zou WWR nader onderzoek onmogelijk hebben gemaakt en Ennia c.s. in hun bewijspositie hebben geschaad. Volgens het subonderdeel heeft het hof de stelling van Ennia c.s. ten onrechte beperkt tot de gestelde weigering van WWR nader onderzoek toe te staan en het bestaan van de bewaarplicht niet mede (kenbaar) in zijn beoordeling betrokken.
Subonderdeel 2.2bevat twee klachten. Ten eerste klaagt het subonderdeel dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hof van oordeel is geweest dat op WWR geen verplichting rustte om de luchtdrukcompressor te bewaren. Volgens het subonderdeel heeft het hof in dat geval miskend dat het bewijs dat Ennia c.s. dienden te leveren zich in het domein van WWR bevond en WWR daarom verplicht was de compressor te bewaren. In de tweede plaats klaagt het subonderdeel dat het hof ook blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hof van oordeel is geweest dat er onvoldoende aanleiding bestond voor het omkeren van de bewijslast aangezien WWR niet verweten kan worden de compressor niet te hebben bewaard. Volgens het subonderdeel heeft het hof miskend dat het niet-verwijtbaar in het ongerede raken van bewijs grond kan opleveren voor omkering van de bewijslast ten nadele van de partij die dit bewijs had moeten bewaren.
Subonderdeel 2.3klaagt dat het hof heeft miskend dat het niet bewaren van de compressor door WWR had moeten leiden tot een verzwaring van de stelplicht van WWR met betrekking tot de deugdelijkheid van de compressor. In het subonderdeel wordt verder betoogd dat het hof bij de beoordeling van het beroep op een verzwaarde stelplicht aan een vijftal (essentiële) stellingen voorbij zou zijn gegaan. Het gaat hierbij om de (vast-)stellingen (a) dat rapporten en verklaringen hebben uitgewezen dat de luchtdrukcompressor niet deugdelijk functioneerde, (b) dat de bij de brand aanwezig personen vermoedden dat deze compressor gebrekkig was en dat de brand in, aan, of door de compressor is ontstaan, (c) dat WWR geen informatie over het behoud, onderhoud of gebruik van de compressor heeft verschaft (behalve de algehele afwijzing van aansprakelijkheid door de fabrikant die de compressor niet heeft geïnspecteerd), (d) dat WWR verder onderzoek aan de compressor heeft belet door dit te weigeren en de compressor niet te bewaren ondanks (e) dat deskundigen andere brandoorzaken hadden uitgesloten en wezen op de noodzaak tot verdere inspectie van de compressor na ontmanteling ervan. [49]
Subonderdeel 2.4bevat geen zelfstandige klacht, maar resumeert dat het hof ten onrechte heeft geconcludeerd dat voor de door Ennia c.s. bepleite omkering van de bewijslast en voor een verzwaring van de stelplicht van WWR geen grond bestaat.
subonderdelen 2.1en
2.2zijn tegen deze achtergrond vergeefs voorgesteld.
subonderdeel 2.3geen doel.
subonderdelen 2.1tot en met
2.3. De klachten van
onderdeel 2slagen daarom niet.
onderdeel 3van het middel. Dit onderdeel valt uiteen in vijf subonderdelen, die als volgt kunnen worden samengevat.
Subonderdeel 3.1betoogt dat gegrondbevinding van één of meer klachten uit onderdelen 1 en 2, die opkomen tegen de door het hof vastgestelde bewijslastverdeling, meebrengt dat het oordeel van het hof in rov. 3.7 dat Ennia c.s. hun stelling dat de brand en de schade zijn ontstaan door een gebrek in of aan de luchtdrukcompressor dienen te bewijzen, evenmin in stand kan blijven.
Subonderdelen 3.2en
3.3bevatten de klacht dat het hof op grond van de omkeringsregel (behoudens tegenbewijs) het causaal verband (in de zin van condicio sine qua non-verband) had kunnen en moeten aannemen tussen het (gestelde) ontbreken van veiligheidsmaatregelen en toezicht enerzijds en het ontstaan van de schade anderzijds.
Subonderdeel 3.4klaagt dat het hof in rov. 3.7 ten onrechte, althans zonder een toereikende motivering, voorbij is gegaan aan het aanbod van Ennia c.s. om [getuige] als getuige te laten horen. Volgens het subonderdeel is het hof in deze overweging uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door op basis van een eerdere verklaring van [getuige] vooruit te lopen op het resultaat van een eventueel getuigenverhoor. Verder achten Ennia c.s. onbegrijpelijk waarom het hof hen ondanks het gespecificeerde bewijsaanbod niet heeft toegelaten tot bewijslevering.
Subonderdeel 3.5tenslotte klaagt dat het hof ten onrechte niet alle door Ennia c.s. aangedragen aansprakelijkheidsgronden in zijn beoordeling heeft betrokken. Bovendien zou de overweging dat niet vaststaat wat de oorzaak van de brand is niet de integrale verwerping kunnen dragen van het betoog over het ontbreken van veiligheidsmaatregelen en toezicht.
3.3betogen dat voor het hof aanleiding bestond om de omkeringsregel toe te passen, maar dat het hof dit ten onrechte heeft nagelaten. Volgens de subonderdelen had het hof op grond van de omkeringsregel voorshands het causaal verband moeten aannemen tussen het (gestelde) ontbreken van veiligheids-maatregelen en toezicht enerzijds en het ontstaan van de schade anderzijds.
subonderdelen 3.2en
3.3falen.
subonderdeel 3.4op goede gronden bestreden. Ik licht dat toe. Naar mijn mening kan de (te bewijzen aangeboden) stelling dat eerst de compressor in brand stond en vervolgens (pas) de daarnaast geparkeerde vrachtauto/pick-up (indien bewezen) relevant zijn voor de beoordeling van de zaak. Die omstandigheid kan namelijk (in samenhang met het eerder genoemde expertiserapport van C&J (hiervoor 1.7), het proces-verbaal van [verbalisant] (hiervoor 1.8) en de verklaring van A. Noordzij (volgens Ennia c.s. expert in luchtcompressors)) bijdragen aan het bewijs(vermoeden) van de stelling dat de luchtcompressor gebrekkig was. Verder zou die stelling kunnen onderbouwen dat de onderhavige brandschade kon intreden vanwege het ontbreken van brandblusmiddelen en het ontbreken van toezicht op de compressor (zie in dat verband mede de bespreking van
subonderdeel 3.5hierna onder 3.34 e.v.). De omstandigheid dat [getuige] bij de politie niet in de genoemde zin heeft verklaard, rechtvaardigt naar mijn mening niet het oordeel dat aan het bewijsaanbod voorbij kan worden gegaan. Dat zou immers neerkomen op een (verboden) prognose over hetgeen [getuige] als getuige in deze procedure (al dan niet) zal gaan verklaren. Naar mijn mening kan ook de overweging van het hof dat niet is gesteld of gebleken dat de getuige meer of anders zou kunnen verklaren geen stand houden. Met hun bewijsaanbod hebben Ennia c.s. immers inzichtelijk gemaakt wat [getuige] volgens hen nader zou kunnen verklaren. Ik meen daarom dat het hof op onjuiste en/of ontoereikende gronden voorbij is gegaan aan het bewijsaanbod.
subonderdeel 3.5wordt aangevoerd dat het hof niet zou hebben gerespondeerd op de grondslagen van art. 6:171 BW Pro (aansprakelijkheid voor een niet ondergeschikte hulppersoon), art. 6:76 BW Pro (contractuele aansprakelijkheid voor een hulppersoon), art. 6:173 BW Pro in verbinding met art. 6:181 BW Pro (aansprakelijkheid bedrijfsmatig gebruiker van een gebrekkige roerende zaak) en art. 6:162 BW Pro. Het hof heeft de afwijzing van deze grondslagen klaarblijkelijk gebaseerd op de overwegingen (i) dat niet vast staat wat de oorzaak van de brand was en (ii) dat niet kan worden aangenomen dat een causaal verband bestaat tussen de brand en het gestelde gevaarzettend handelen en niet uitoefenen van toezicht. Dit gedeelte van de klacht slaagt, geïsoleerd gelezen, dus niet.
subonderdeel 3.5op tegen de overweging dat niet vast staat wat de oorzaak van de brand is en dat daarom niet kan worden aangenomen dat causaal verband bestaat met het gestelde gevaarzettend handelen en niet uitoefenen van toezicht. Volgens het subonderdeel kan die overweging niet de integrale verwerping van de aansprakelijkheid van Taliesin c.s. dragen. Ennia c.s. wijzen ook in dit verband op de stellingen dat er geen toezichthouder bij de compressor aanwezig was en dat ter plaatse geen brandblusmiddelen aanwezig waren. In zoverre acht ik
subonderdeel 3.5gegrond. Met de genoemde stellingname wordt de aansprakelijkheid niet gebaseerd op een gebrek in de luchtdrukcompressor, maar op het ontbreken van toezicht en brandblusmiddelen. Voor deze grondslag is het doek niet gevallen met de onduidelijkheid over de precieze oorzaak van de brand. De overweging over het causaal verband kan de verwerping van die grondslag evenmin dragen. Deze overweging sluit immers niet uit dat causaal verband kan worden vastgesteld tussen het ontbreken van brandblusmiddelen en toezicht bij de compressor enerzijds en het ontstaan van de brandschade anderzijds. Dit causaal verband kan bijvoorbeeld wel worden aangenomen indien komt vast te staan dat de brand in de buurt van de compressor is begonnen. Opmerking verdient dat het door Ennia c.s. aangeboden getuigenbewijs van de stelling dat eerst de compressor in brand stond en daarna de daarnaast geparkeerde vrachtauto/pick-up van belang zou kunnen zijn voor beantwoording van de vraag of de brand in de buurt van de compressor is begonnen (hiervoor 3.33).
onderdelen 1 en 2van het middel falen. De klachten van
subonderdelen 3.1tot en met
3.3van
onderdeel 3falen eveneens. De klachten van
subonderdeel 3.4en een gedeelte van de klachten van
subonderdeel 3.5zijn daarentegen terecht voorgesteld.
subonderdeel 3.4brengt mee dat de overwegingen in rov. 3.7 over het passeren van het bewijsaanbod met betrekking tot het ontstaan van brand in de compressor niet in stand kunnen blijven. Dat geldt ook voor de daarop voortbouwende overwegingen in rov. 3.8 en 3.9 (a) dat de stelling van Ennia c.s. dat de brand is ontstaan door een gebrek in of aan de compressor geen doel treft en (b) dat de oorzaak van de brand onbekend is. Het gedeeltelijk slagen van subonderdeel 3.5 betekent dat de verwerping in rov. 3.9 van het betoog over schending van (één of meer) zorgvuldigheidsnormen evenmin stand houdt. De voornoemde overwegingen zijn van belang voor het door het hof bereikte oordeel (bekrachtiging van de afwijzing van de vordering). De conclusie strekt daarom tot vernietiging en terugwijzing.