ECLI:NL:PHR:2017:460
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling machtiging tot voortgezet verblijf in psychiatrisch ziekenhuis na conversie voorwaardelijke machtiging
Betrokkene was onvrijwillig opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van een voorwaardelijke machtiging die was geconverteerd in een voorlopige machtiging. De officier van justitie verzocht vervolgens om een machtiging tot voortgezet verblijf, welke door de rechtbank werd verleend. Betrokkene stelde cassatie in tegen deze machtiging.
De Hoge Raad overwoog dat de voorlopige machtiging vooraf moet gaan aan een machtiging tot voortgezet verblijf en dat de rechtbank terecht aannam dat betrokkene op het moment van het verzoek feitelijk en rechtens verbleef op basis van een voorlopige machtiging. Het voornemen tot cassatie tegen de eerdere beschikking maakte dit niet anders.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat de rechtbank voldoende gemotiveerd had vastgesteld dat betrokkene een stoornis had die gevaar voor zichzelf veroorzaakte en dat dit gevaar niet buiten het ziekenhuis kon worden afgewend. De rechtbank hoefde niet in te gaan op het verzoek om aanhouding van de behandeling of een kortere geldigheidsduur van de machtiging, omdat de motieven daarvoor onvoldoende waren onderbouwd.
Het cassatieberoep werd verworpen omdat de rechtbank haar beslissing zorgvuldig had genomen en de motieven van betrokkene onvoldoende waren om de machtiging tot voortgezet verblijf te weigeren.
Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de machtiging tot voortgezet verblijf wordt verworpen.