Conclusie
1.Feiten
“Opgave”) van deze notitie staat onder meer:
“planproces”) staat onder meer:
“aantallen en typologie”) staat dat op de locatie de realisatie van 27 woningen wordt voorgestaan.
“d) aantal nieuw te bouwen woningen”het volgende opgenomen:
wettelijke proceduresom te komen tot een bestemmingsplanwijziging in acht worden genomen. De publiekrechtelijke verantwoordelijkheid waar u gewag van maakt dient gelezen te worden in de context van uw mededelingen zoals hiervoor (samengevat) verwoord en slaat dus niet op het gestelde in artikel 5.1. In de door u geschetste situatie is geen sprake van wettelijke procedures maar simpelweg van het (mogelijk) aanvaarden van een Regionale Woonvisie (een beleidsdocument). Daar is artikel 5.1 niet voor geschreven en ook nooit voor bedoeld.
“het liefst zagen wij een situatie waarin eerst gekeken gaat worden of er een compensatie (herschikking/aanpassing bouwclaim) kan plaatsvinden binnen de samenwerkingsovereenkomst met compensatie van reeds gemaakt kosten en schade” [5] .
2.Procesverloop
samenwerkings-overeenkomst, en bij de Gemeente ook bekend althans voor haar kenbaar was dat dit gevolgen voor het aantal te bouwen woningen in haar gemeente met zich zou brengen, weegt voor het hof in dit verband zwaar. De Gemeente heeft, zoals [verweerster 1] in zoverre onbestreden heeft aangevoerd, [verweerster 1] de desbetreffende informatie onthouden, niet alleen bij het aangaan van de overeenkomst maar [verweerster 1] zelfs niet geïnformeerd toen zij de Gemeente op 22 juni 2010 liet weten tot het bouwrijp (maken) van de gronden over te gaan (productie 9 bij inleidende dagvaarding). Het hof neemt daarbij verder in aanmerking dat de Gemeente heeft nagelaten [verweerster 1] een adequate schadevergoeding aan te bieden. Met haar aanbod van een bedrag ad € 78.000,- werd [verweerster 1], die door het nalaten van de gemeente, ook op het vlak van informatieverstrekking, naar het hof voorshands aannemelijk acht, relevante schade leed, onvoldoende tegemoet gekomen. Dit heeft tevens gemaakt dat het overleg tussen partijen tot aanpassing van de overeenkomst heeft gefaald, met - uiteindelijk - ontbinding van de overeenkomst door [verweerster 1] als resultaat. Voorts speelt voor het hof mee dat de Gemeente niet met [verweerster 1] in overleg is getreden over een aanpassing van de SOK, terwijl zij daartoe (in haar visie: uitgaande van een onvoorziene omstandigheid) op grond van artikel 13 SOK Pro gehouden was (
“Ingeval van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat van de Gemeente en/of de Ontwikkelaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van deze overeenkomst niet mag/mogen verwachten, zullen de Partijen trachten de inhoud van deze overeenkomst bij addendum aan te passen en wel op zodanige wijze dat de beoogdedoelstellingen zoveel mogelijk in stand blijven en bereikt kunnen worden(…)”(onderstreping hof), maar alleen over de hoogte van de schadevergoeding heeft gecorrespondeerd. Het hof is van oordeel dat de Gemeente onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van [verweerster 1], waartoe zij mede op grond van de ter zake toepasselijke algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, welk beginsel bij wijziging van beleid in het oog moet worden gehouden, ten opzichte van [verweerster 1] wel gehouden was. Het zorgvuldigheidsbeginsel brengt mee dat naarmate de wederpartij van de overheid (te weten [verweerster 1]) zich op meer concrete verwachtingen kan beroepen (zoals hier het geval is gelet op onder meer het aangaan door de Gemeente van de SOK en het nalaten door de Gemeente van enige informatie van [verweerster 1] omtrent de bevolkingskrimp ook tijdens de looptijd van de overeenkomst), de overheid meer van haar beleidsvrijheid en dus van haar mogelijkheden om het beleid te wijzigen verliest.
samenwerkingsovereenkomst gaat.”
nahet aangaan van de SOK voor vergoeding in aanmerking komen) dan wel het door de Gemeente aangeboden bedrag van € 78.000,- excl. BTW, dan wel een door het hof te bepalen bedrag.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1betreft ’s hofs oordeel in rov. 5.7 over de vraag of de bevolkingskrimp voor de Gemeente een onvoorziene omstandigheid oplevert.
Onderdeel 2betreft het oordeel in rov. 5.9 dat de Gemeente haar hoofdverplichting uit de SOK en de uit de SOK voortvloeiende informatieplicht niet is nagekomen en daarom is in de nakoming van haar verplichtingen tekortgeschoten.
Onderdeel 3is gericht tegen het oordeel in rov. 5.9 dat de tekortkoming ook toerekenbaar is omdat de Gemeente geen beroep op overmacht toekomt.
Onderdeel 4ziet tot slot op rov. 5.10, waarin het hof heeft geoordeeld dat de schade moet worden berekend aan de hand van het leerstuk van “kansschade” of “verlies van een kans”.
Onder 1.1klaagt de Gemeente dat het hof een onbegrijpelijke uitleg aan de processtukken heeft gegeven en zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, voor zover het, zoals uit rov. 5.5 lijkt te volgen, slechts is nagegaan of de bevolkingskrimp een onvoorziene omstandigheid oplevert. De Gemeente wijst erop dat zij zich op het standpunt heeft gesteld dat het drastisch moeten aanpassen van de concrete woningbouwplannen binnen de Gemeente als gevolg van de bevolkingskrimp, de verminderde woningbehoefte, het daarop inspelende KWP3 en de daarop gebaseerde Regionale Woonvisie als onvoorziene omstandigheid in de zin van art. 6:258 BW Pro en art. 13 en Pro 21.1 SOK kwalificeren [14] . Het subonderdeel klaagt dat, voor zover het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat de Gemeente slechts de bevolkingskrimp aan haar beroep op onvoorziene omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, het (dus) een onbegrijpelijke uitleg aan de processtukken heeft gegeven.
“de bevolkingskrimp in de Achterhoek en als gevolg daarvan het aanpassen van de woningbouwplannen”gesproken en vervolgens overwogen dat het niet verdisconteren van een en ander in de SOK niet wil zeggen dat
“deze omstandigheden(meervoud, dus niet slechts de bevolkingskrimp, maar óók het aanpassen van de woningbouwplannen waartoe die bevolkingskrimp aanleiding gaf; LK)
(zonder meer) als onvoorzien in de zin van de hiervoor in 5.5 genoemde bepalingen moeten worden aangeduid”. Volgens het hof
“bestonden de genoemde omstandigheden(meervoud, dus wederom met inbegrip van het aanpassen van de woningbouwplannen)
bij het sluiten van de SOK en waren deze bij de Gemeente bekend althans voor haar kenbaar.”Ook in zoverre mist het subonderdeel doel, alhoewel aan de Gemeente moet worden toegegeven dat het hof zijn beoordeling wel zeer op de bevolkingskrimp als zodanig heeft toegespitst. Opmerkelijk is vooral de laatste volzin van rov. 5.7, waarin het hof de voorafgaande beoordeling als volgt heeft samengevat:
nietof die verdeling op haar beurt het gevolg van een onvoorziene omstandigheid was).
Onder 1.3stelt zij dat uit het feit dat in mei 2009 bij de Gemeente bekend was dat de regionale woningbehoefte tot 2020 wordt bijgesteld van 10.000 naar 5.900, niet zonder meer op begrijpelijke wijze kan volgen dat ook de in het kader van het beroep op onvoorziene omstandigheden aangevoerde omstandigheid dat de Gemeente haar eigen woningbouwplannen ingrijpend en ten nadele van de samenwerking met [verweersters] moest wijzigen, zich reeds ten tijde van het sluiten van de SOK in juli 2009 voordeed [17] . De verminderde regionale woningbehoefte zegt niet zonder meer iets over de gevolgen daarvan voor de bouwplannen binnen de Gemeente, laat staan over de gevolgen daarvan voor het onderhavige project.
onder 1.4, omdat zonder nadere motivering niet navolgbaar is (a) waarom de Gemeente al in juli 2009 voorzag of moest voorzien dat zij haar eigen concrete woningbouwplannen drastisch moest aanpassen en (b) waarom die aanpassingsnoodzaak in juli 2009 al bestond en niet toekomstig was.
“bestond”(waarmee het hof kennelijk heeft bedoeld dat die bevolkingskrimp over de jaren tot 2020 reeds was geprognosticeerd) en dat aan de Gemeente bekend en voor haar althans kenbaar was dit gevolgen voor het aantal te bouwen woningen in de Gemeente met zich zou brengen:
“niet precies voor ogen had hoe die plannen eruit zouden komen te zien”. Ook om die reden kan het bestreden oordeel niet in stand blijven.
“het gewijzigd Provinciaal beleid (dat is vertaald naar de notitie van de Gemeente van november/december 2010) naar de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van de Gemeente dient te komen omdat de Gemeente ten tijde van het sluiten van de SOK had moeten en kunnen weten dat de toen reeds bestaande bevolkingskrimp gevolgen zou gaan hebben voor woningbouwprojecten waaronder het Project met [verweerster 1].”Weliswaar is ook met het oog op een verlangde wijziging of ontbinding van een overeenkomst wegens onvoorziene omstandigheden van belang of die omstandigheden voor rekening komen van degene die zich daarop beroept (art. 6:258 lid 2 BW Pro), maar het hof heeft in rov. 5.9 niet over een wijziging of ontbinding wegens onvoorziene omstandigheden maar over een beroep op overmacht geoordeeld en heeft zijn oordeel dienaangaande bovendien gegrond op de (mijns inziens niet zonder meer begrijpelijke en overigens met succes door de Gemeente in cassatie bestreden [22] ) veronderstelling dat
“de Gemeente ten tijde van het sluiten van de SOK had moeten en kunnen weten dat de toen reeds bestaande bevolkingskrimp gevolgen zou gaan hebben voor woningbouwprojecten waaronder het Project met [verweerster 1].”
onderdeel 2komt de Gemeente allereerst
onder 2.1op tegen het oordeel dat de Gemeente haar hoofdverplichting uit de SOK - de ontwikkeling en realisering van 27 woningen met bijbehorende infrastructuur - niet is nagekomen en daarom is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen.
onder 2.1.2, een onbegrijpelijk uitleg aan de processtukken gegeven. [verweersters] hebben slechts gesteld dat de Gemeente haar inspanningsverplichting ex art. 5.1 SOK en haar informatieplicht ex art. 2.4 SOK heeft geschonden [23] . De Gemeente stelt dat zij de vordering van [verweersters] ook in die zin heeft opgevat [24] . De door het subonderdeel veronderstelde uitleg zou temeer onbegrijpelijk zijn nu (a) [verweersters] zelf hebben gesteld dat art. 2.1 SOK het doel van daarvan beschrijft en dus geen verplichting inhoudt [25] en (b) het hof zelf in de weergave van het standpunt van [verweersters] slechts de niet-nakoming van de informatieplicht en de inspanningsverplichting om te komen tot vaststelling van het voor de uitvoering van het onderhavige project benodigde bestemmingsplan heeft genoemd. ’s Hofs oordeel is volgens de Gemeente ook onbegrijpelijk omdat de weergave van de vorderingsgrondslag niet strookt met de gehonoreerde vorderingsgrondslag.
onder 2.1.5dat dit oordeel onjuist is, althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is. Zij wijst erop dat zij dat oordeel met haar eerste incidentele grief heeft bestreden [38] .
Onder 2.1.6voert de Gemeente aan dat het hof met dat oordeel bovendien heeft miskend dat het, in geval van slagende klachten van [verweersters] met betrekking tot het beroep op onvoorziene omstandigheden en overmacht, op grond van de positieve zijde van de devolutieve werking ook ambtshalve moest onderzoeken of sprake was van een tekortkoming in de nakoming van de SOK en derhalve welke verplichtingen uit hoofde van de SOK op de Gemeente rusten. Het oordeel van de rechtbank bevatte voor de Gemeente in zoverre immers geen negatieve beslissingen.
“de Gemeente ten tijde van het sluiten van de SOK had moeten en kunnen weten dat de toen reeds bestaande bevolkingskrimp gevolgen zou gaan hebben voor woningbouwprojecten waaronder het Project met [verweerster 1]”. Indien en voor zover (ook) het oordeel van het hof over de informatieplicht van de Gemeente op dit uitgangspunt rust, werkt het welslagen van de subonderdelen 1.3 en 1.4 inderdaad in dat oordeel door [39] .
onder 2.2.1dat voornoemd oordeel in ieder geval blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het inhoudt dat ex art. 2.4 SOK op de Gemeente de verplichting rust om vóór of bij het aangaan van de SOK [verweersters] te informeren over de bevolkingskrimp en de gevolgen daarvan voor het aantal te bouwen woningen. Een overeenkomst kan, aldus de Gemeente, immers niet verplichten tot een handelen of nalaten voorafgaand aan of bij de totstandkoming van diezelfde overeenkomst. In ieder geval heeft het hof niet gemotiveerd waarom art. 2.4 SOK zo’n verplichting zou inhouden.
“noch voor het aangaan van de SOK noch tijdens de looptijd van de overeenkomst aan [verweerster 1] mee te delen dat van een bevolkingskrimp in de Achterhoek sprake was en dat dit gevolgen voor het aantal te bouwen woningen in haar gemeente met zich zou brengen”. Kennelijk heeft het hof hier bedoeld dat de (voorgenomen) bepaling van art. 2.4 SOK haar schaduw vooruitwierp, in die zin dat daaruit voor de Gemeente een (precontractuele) verplichting voortvloeide om [verweersters] reeds tijdens de onderhandelingen over nieuwe en voor het project relevante ontwikkelingen te informeren. Aldus beschouwd geeft het bestreden rechtsoordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk.
onder 2.2.2, onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd in het licht van haar stelling dat:
Gemeenteis dat oordeel onvoldoende gemotiveerd in het licht van de hiervoor sub (i) en (ii) genoemde essentiële stellingen, zo stelt de Gemeente
onder 2.2.3. Uit die stellingen volgt dat de Gemeente slechts verplicht was om concrete en direct relevante informatie voor het project met [verweersters] te delen.
“dat van een bevolkingskrimp in de Achterhoek sprake was en dat dit gevolgen voor het aantal te bouwen woningen in haar gemeente met zich zou brengen”(rov. 5.9, laatste volzin) en voorts dat die gevolgen mede het litigieuze project zouden raken (
“(…) de Gemeente ten tijde van het sluiten van de SOK had moeten en kunnen weten dat de toen reeds bestaande bevolkingskrimp gevolgen zou gaan hebben voor woningbouwprojectenwaaronder het Project met [verweerster 1]”; rov. 5.9, op één na laatste volzin; onderstreping toegevoegd; LK). Dit oordeel, wat daarvan overigens zij, wijst niet op een wezenlijk andere uitleg van art. 2.4 SOK dan die welke de subonderdeel 2.2.2 onder (i) en (ii) verdedigt. Informatie dat de (geprognosticeerde) bevolkingskrimp in de Achterhoek zowel op gemeente- als op projectniveau “gevolgen” zal hebben, is naar mijn mening voor het project voldoende relevante en concrete informatie om binnen de door subonderdeel 2.2.2 onder (i) en (ii) verdedigde uitleg van art. 2.4 van de SOK te vallen.
eventuelegevolgen voor het aantal te bouwen woningen in de Gemeente zou hebben, maar dat zulke gevolgen vaststonden (
“dat van een bevolkingskrimp in de Achterhoek sprake was en dat dit gevolgen voor het aantal te bouwen woningen in haar gemeente met zich zou brengen”; rov. 5.9, laatste volzin) en dat die gevolgen bovendien woningbouwprojecten waaronder dat met [verweersters] zouden raken (
“(…) de Gemeente ten tijde van het sluiten van de SOK had moeten en kunnen weten dat de toen reeds bestaande bevolkingskrimp gevolgen zou gaan hebben voor woningbouwprojecten waaronder het Project met [verweerster 1]”; rov. 5.9, op één na laatste volzin). Het subonderdeel mist daarom feitelijke grondslag.
onder 2.3af met de klacht dat het hof ten onrechte een bewijsaanbod heeft gepasseerd.
onder 2.3.2dat het hof gezien het voorgaande blijk van een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven.
onder 2.3.3.Aan het bewijsaanbod mocht het hof geen nadere (specificiteits)eisen stellen [48] . Voor zover het hof heeft aangenomen dat zich in casu omstandigheden voordoen op basis waarvan die eis wel mag worden gesteld, is het bestreden oordeel onvoldoende gemotiveerd.
“het gewijzigd Provinciaal beleid (dat is vertaald naar de notitie van de Gemeente van november/december 2010)”sprake was van
“zodanige overheidsmaatregelen die tot gevolg hebben dat van de betrokken partij in redelijkheid nakoming van de verplichtingen niet of niet ten volle kan worden verlangd”in de zin van art. 12.2 SOK
.Die vraag heeft het hof in ontkennende zin beantwoord, waarbij voor het hof kennelijk beslissend was dat
“de Gemeente ten tijde van het sluiten van de SOK had moeten en kunnen weten dat de toen reeds bestaande bevolkingskrimp gevolgen zou gaan hebben voor woningbouwprojecten waaronder het Project met [verweerster 1]”en daarover bovendien heeft gezwegen, om welke redenen het gewijzigd provinciaal beleid volgens het hof voor rekening van de Gemeente dient te komen. De klacht dat dat het hof geen aandacht zou hebben geschonken aan art. 12.2 SOK, mist derhalve doel.
subonderdeel 3.2. Dat subonderdeel klaagt dat, voor zover het hof ervan is uitgegaan dat de Gemeente aan haar overmachtsberoep slechts ten grondslag heeft gelegd dat van nieuwe in de Woningbouwnotitie neergelegde beleidsinzichten sprake is, het hof een onbegrijpelijk uitleg aan de processtukken heeft gegeven. De Gemeente voert aan dat zij aan haar beroep op overmacht mede ten grondslag heeft gelegd dat het door de Provincie opgelegde KWP3, alsmede de provinciale opdracht een regionaal woningbouwprogramma op te stellen, kwalificeren als zodanige overheidsmaatregelen die tot gevolg hebben dat in redelijkheid nakoming van de verplichting niet of niet ten volle kan worden verlangd in de zin van art. 12.2 SOK [50] .
Deloitte/[...]verwoordt de Hoge Raad het als volgt [56] :
condicio sine qua non-verband niet kan worden vastgesteld. Door de schade te herdefiniëren als het verlies van een kans van de benadeelde op een beter resultaat indien de fout achterwege zou zijn gebleven, kan tussen die fout en het verlies van een kans wel een
condicio sine qua non-verband worden vastgesteld. De aangesprokene kan worden veroordeeld tot vergoeding van een percentage van de schade dat met de verloren gegane kans in overeenstemming is [57] . De goede en kwade kansen worden daarbij geschat [58] . Er is slechts ruimte voor vaststelling van schade indien er een reële (dat wil zeggen niet zeer kleine) kans op een beter resultaat was [59] .
“de kans op het winnen van een proces, de kans dat een overeenkomst tot stand gekomen zou zijn (in de precontractuele sfeer) en de kans dat een medische behandeling resultaat zou hebben gehad” [61] . Dat het leerstuk van kansschade kan worden toegepast buiten de traditionele kansschade-gevallen blijkt ook uit het arrest
Overzee/Gemeente Zoeterwoude [62] , waarin door Overzee kansschade werd gevorderd omdat de betrokken gemeente had nagelaten conform een gedane toezegging diens dienstwoning met de bestemming
“woondoeleinden”op te nemen in een ontwerpbestemmingsplan. De Hoge Raad overwoog:
Onder 4.1.1wijst zij erop dat [verweersters] zich niet op het standpunt hebben gesteld dat zij een bepaalde kans als gevolg van de tekortkomingen hebben verloren, laat staan waaruit die kans precies zou hebben bestaan en/of hoe groot die kans zou zijn geweest. Zij hebben zich slechts op het standpunt gesteld dat zij als gevolg van de tekortkomingen schade hebben geleden in de vorm van gederfde winst van in totaal maximaal € 259.350,- [64] en gemaakte kosten van in totaal maximaal € 1.103.879,33 ex rente [65] - die weer uiteenvallen in gemaakte kosten ad € 921.026,86 vóór het tekenen van de SOK [66] en € 182.862,47 ná het tekenen van de SOK [67] . Voor zover het hof heeft geoordeeld dat [verweersters] wel hebben gesteld dat zij een kans hebben verloren, heeft het hof, volgens de Gemeente
onder 4.1.2, een onbegrijpelijke uitleg aan de processtukken gegeven. De processtukken bieden daarvoor geen enkel aanknopingspunt. Het feit dat gemaakte kosten als schade worden gevorderd, wijst erop dat er geen beroep op het leerstuk verlies van een kans is gedaan, nu het daarbij gaat om daadwerkelijk gemaakte kosten.
“5.11 [verweerster 1] heeft deze kans, zo leidt het hof uit haar schadeberekening af, hoog ingeschat. (…)”).
onder 4.2.1dat het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven. Het hof heeft volgens het subonderdeel miskend dat voor schadebegroting op het verlies van een kans onvoldoende is de enkele omstandigheid dat (a) sprake is van een tekortkoming door de Gemeente van haar verplichting tot ontwikkeling en realisering van 27 woningen met bijbehorende infrastructuur ex art. 2.1 SOK en/of haar informatieplicht ex art. 2.4 SOK, (b) onzeker is of althans in hoeverre die tekortkomingen hebben geleid tot schade bij [verweersters] en die onzekerheid haar grond vindt in de omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld of de kans op succes zich zonder tekortkoming ook had gerealiseerd en (c) het
condicio sine qua non-verband tussen de tekortkomingen en het verlies van de kans op een voordeliger positie vaststaat. Deze onzekerheid doet zich immers voor in vrijwel iedere tekortkomingssituatie. Als uitgangspunt moet schade als gevolg van een tekortkoming echter concreet dan wel onder omstandigheden abstract worden begroot.
Deloitte/[...]is overwogen, aan welk arrest het hof zelf ook heeft gerefereerd.
Overzee/Gemeente Zoeterwoude. De toerekenbare tekortkoming van de Gemeente is gelegen in het niet ongewijzigd nakomen van de SOK. Bij onverkorte nakoming had de Gemeente zich onder meer moeten inspannen om te komen tot de vaststelling van het voor het project benodigde bestemmingsplan. Door de Gemeente is onder meer het verweer gevoerd dat de gemeenteraad het vereiste bestemmingsplan niet zou hebben vastgesteld. Uit het eerder genoemde arrest kan worden opgemaakt dat hier sprake is van een situatie die zich leent voor toepassing van het leerstuk van kansschade en dat wat, het door de Gemeente gevoerde verweer betreft, sprake is van
“een onzekerheid die aan een kans eigen is”.
Onder 4.3.1wijst zij erop dat de gederfde winst door middel van een waarschijnlijkheidsberekening moet worden vastgesteld, waarbij zoveel mogelijk moet worden uitgegaan van de vaststaande, door [verweersters] te stellen en te bewijzen feiten [70] . Voorts wijst zij erop dat de gevorderde gemaakte kosten volgens [verweersters] daadwerkelijk zijn gemaakt en zich dus concreet laten begroten. In ieder geval is zonder nadere motivering niet navolgbaar waarom voornoemde schadeposten volgens het hof als verlies van een kans zouden kwalificeren.
“om opgave van niet-gemaakte kosten in geval van naleving door de Gemeente van haar informatieverplichtingen voor onderscheidenlijk tijdens de overeenkomst”. Overigens teken ik nog aan dat het ook bij een vaststelling van goede en kwade kansen vooral op door [verweersters] te stellen en te bewijzen feiten aankomt.
condicio sine qua non-verband bestaat. Zij klaagt
onder 4.4.1dat zonder nadere, ontbrekende, motivering niet navolgbaar is waarom een dergelijk verband bestaat tussen de tekortkomingen en het verlies van een kans. De Gemeente stelt dat zij zich ter betwisting van het
condicio sine qua non-verband onderbouwd op het standpunt heeft gesteld dat (i) het economisch klimaat, en als gevolg daarvan de woningmarkt, was verslechterd en het project zowel met betrekking tot de grondexploitatie als de opstalexploitatie geen winst, maar verlies zou hebben opgeleverd [71] en (ii) de gemeenteraad op grond daarvan het vereiste bestemmingsplan niet zou hebben vastgesteld omdat het plan niet - naar is vereist voor goedkeuring - economisch uitvoerbaar is [72] . Het project was volgens de Gemeente daarom hoe dan ook niet doorgegaan en [verweersters] had daarom met of zonder schending van art. 2.1 en 2.4 SOK in dezelfde positie verkeerd. Van een met de tekortkomingen in
condicio sine qua non-verband staande schade/kansverlies is derhalve geen sprake. Het hof kon volgens het subonderdeel niet zonder nader motivering aan deze essentiële stellingen voorbijgaan.
condicio sine qua non-verband tussen de tekortkomingen van de Gemeente en een verloren gegane kans op een beter resultaat is gegeven. De door de Gemeente betrokken stellingen betreffen niet dit
condicio sine qua non-verband, maar de onzekerheden die aan een kans eigen zijn en zullen moeten worden betrokken in de schatting van de goede en kwade kansen. Ook deze klacht faalt derhalve.
condicio sine qua non-verband temeer onvoldoende is gemotiveerd in het licht van de stelling van de Gemeente dat dit verband ontbreekt omdat:
“Dat zij(de Gemeente; LK)
niet precies voor ogen had hoe die plannen eruit zouden komen te zien (…)”). Bij die stand van zaken zou de in de visie van het hof door de Gemeente met [verweersters] te delen kennis niet bij voorbaat prohibitief voor een al dan niet gewijzigde uitvoering van het project zijn geweest.
condicio sine qua non-verband zoals door het subonderdeel bedoeld, dan ook niet zonder meer uit.
condicio sine qua non-verband staan met de tekortkomingen, is ’s hofs oordeel in ieder geval onjuist, of onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat die kosten vóórafgaand aan de SOK en daarmee dus eveneens voorafgaand aan de door het hof vastgestelde tekortkomingen zijn gemaakt [76] , zo voert de Gemeente
onder 4.4.3aan. Die kosten staan derhalve per definitie niet in
condicio sine qua non-verband met die tekortkomingen.
condicio sine qua non-verband staan met de tekortkoming ex art. 2.1 SOK, klaagt de Gemeente
onder 4.4.4dat dit oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is, omdat het kosten betreft die [verweersters] ten behoeve van het project hebben gemaakt [77] . Die kosten zouden [verweersters] derhalve óók hebben gemaakt indien de Gemeente haar verplichtingen ex art. 2.1 SOK wel zou zijn nagekomen, zoals de Gemeente ook heeft aangevoerd [78] . Voor zover het hof heeft geoordeeld dat deze kosten in
condicio sine qua non-verband staan met de tekortkoming ex art. 2.4 SOK, is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof niet heeft vastgesteld of, en zo ja op welk moment, [verweersters] het maken van deze kosten zouden hebben gestaakt indien zij tijdig zouden zijn geïnformeerd, terwijl de Gemeente erop heeft gewezen dat [verweersters] hierover geen duidelijkheid bieden [79] .
condicio sine qua non-verband staan met de geconstateerde tekortkomingen. ’s Hofs oordeel betreft slechts het
condicio sine qua non-verband tussen deze tekortkomingen en het verlies van de kans op een beter resultaat, gelegen in de mogelijkheid gemaakte kosten terug te verdienen en winst te behalen middels de grond- en opstalexploitatie.
onder 4.5tot slot dat het hof ten onrechte een aanbod tot het leveren van (tegen)bewijs heeft gepasseerd.
condicio sine qua non-verband [80] . De Gemeente stelt dat op [verweersters] de stelplicht en bewijslast rust van het bestaan van het
condicio sine qua non-verband tussen de tekortkomingen en de door hen gestelde schade.
onder 4.5.2, van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven. De stelplicht en bewijslast rusten volgens het subonderdeel op [verweersters].
onder 4.5.3dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting blijk heeft gegeven, althans zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Die eis mag als uitgangspunt niet aan een (tegen)bewijsaanbod worden gesteld [81] , terwijl zich in casu geen omstandigheden voordoen op basis waarvan die eis wel mag worden gesteld en het hof zulke omstandigheden ook niet heeft vastgesteld.
condicio sine qua non-verband. Het hof heeft alsdan miskend dat bij de vaststelling van dat feitelijk verband alle omstandigheden van belang kunnen zijn. In ieder geval is ’s hofs oordeel onvoldoende gemotiveerd, omdat die omstandigheden wel van belang zijn en het hof niet heeft vastgesteld dat en waarom de betrokken stellingen niet relevant zijn.
condicio sine qua non-verband tussen de tekortkomingen en de door hen gestelde schade rusten. Het hof heeft evenmin aangenomen dat het (tegen)bewijsaanbod van de Gemeente onvoldoende is gespecificeerd. In zoverre missen de klachten feitelijke grondslag. Voor het overige geldt dat, zoals uit de bespreking van de voorgaande klachten volgt, het hof zich door de bedoelde stellingen van de Gemeente niet behoefde te laten weerhouden een
condicio sine qua non-verband tussen de door het hof aangenomen tekortkomingen en een door [verweersters] gemiste kans op een beter resultaat aan te nemen. Voor zover de bedoelde stellingen van de Gemeente tegen de achtergrond van ’s hofs oordeel nog actueel zijn, zullen zij in het kader van de vaststelling van de goede en kwade kansen aan de orde kunnen komen.