Conclusie
1.Feiten en procesverloop
- i) [eiser] huurt sinds 11 augustus 2008 van Woonplus een garage aan de [a-straat 1] te [plaats] (hierna: de garage of het gehuurde). In de garage bevindt zich een toiletpot die is aangesloten op het riool waarop ook het bovengelegen appartementencomplex is aangesloten.
- ii) Op 5 november 2008 heeft Woonplus onder meer het volgende aan [eiser] geschreven:
- iii) Op 24 december 2009 heeft [eiser] geconstateerd dat rioolwater via de toiletpot het gehuurde was ingestroomd, waardoor een deel van de opgeslagen zaken was beschadigd.
- iv) Expertise & taxatieburo Nederlof & Partner BV (hierna: Nederlof) heeft op 14 januari 2010 in opdracht van (de verzekeraar van) [eiser] een rapport opgesteld, waarin de schade wordt getaxeerd op € 8.700,- (incl. BTW). Nederlof heeft geen onderzoek gedaan naar de oorzaak van de overstroming.
- v) Assurantiekantoor Fora Bemiddeling heeft Woonplus namens [eiser] aansprakelijk gesteld voor voormelde schade.
- vi) De schadeverzekeraar van Woonplus heeft vervolgens expertisebureau Brava (hierna: Brava) ingeschakeld. Brava heeft op 2 februari 2010 een rapport uitgebracht, waarin onder meer staat vermeld:
grief 1betoogt [eiser] dat de kantonrechter hem ten onrechte niet is gevolgd in zijn standpunt dat Woonplus bij aanvang van de huurovereenkomst bekend was met het gebrek aan het gehuurde.
Grief2 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat er geen reden is om de schade voor rekening van Woonplus te laten komen. [5]
grief 1betoogt [eiser] dat de kantonrechter hem ten onrechte niet is gevolgd in zijn standpunt dat Woonplus bij aanvang van de huurovereenkomst bekend was met het gebrek aan het gehuurde, welk gebrek volgens [eiser] is gelegen in het eerder optreden van problemen met water dat via het riool weer naar binnenstroomt. [eiser] verwijst daarbij naar de mededelingen van Brava (zie hierboven onder 1.5.) over problemen met de riolering in of nabij het gehuurde in 2006 en 2008. Volgens [eiser] had Woonplus hem hierover moeten informeren, zodat hij voorzorgsmaatregelen had kunnen treffen.
Grief 2is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat er geen reden is om de schade voor rekening van Woonplus te laten komen. Volgens [eiser] moet Woonplus ervoor zorgen dat haar deel van het riool vrij is van ontstopping, zeker in een situatie zoals deze, waarin er eerdere problemen zijn geweest. In zo’n geval moet het regulier inspecteren en onderzoeken van het riool meer frequent en wellicht uitvoeriger plaatsvinden. Nu het euvel driemaal is opgetreden, kan niet gezegd worden dat het onderhoud aan, dan wel de capaciteit van het riool afdoende was. Naar de mening van [eiser] ligt het op de weg van Woonplus om te bewijzen dat door haar wijze van onderhoud de kans op rioolproblemen is verkleind, dan wel dat haar wijze van onderhoud en controle van afdoende kwaliteit is geweest. Tot slot stelt [eiser] dat de schade in elk geval voor risico van Woonplus komt, nu Woonplus als verhuurder druk kan uitoefenen op haar overige huurders om oneigenlijk rioolgebruik en vervuiling ervan tegen te gaan. Daarbij kan worden gedacht aan adequate voorlichting aan de huurders.
2.Bespreking van het cassatieberoep
“Het hof miskent, (…)”). Het onderdeel stelt dat in dat kader van belang is dat een riool dat overstroomt reeds gebrekkig is in de zin van art. 6:174 BW Pro, ook al is de verstopping die deze overstroming veroorzaakt het gevolg van oneigenlijk gebruik van de huurders van Woonplus (cassatiedagvaarding nr. 2.1.2, p. 6 vanaf
“In dat kader (…)”). Het hof heeft dit alles hetzij miskend, hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
nietten grondslag gelegd dat Woonplus
in zijn hoedanigheid van bezitter van een gebrekkige opstalaansprakelijk is. Bij een andere opvatting zou Woonplus tekort zijn gedaan in haar recht zich naar behoren te verdedigen; betoogd zou kunnen worden dat het hof in dat geval buiten de door partijen getrokken grenzen van de rechtsstrijd zou zijn getreden. [16] De klacht faalt derhalve.
subonderdeel 2.1(cassatiedagvaarding nr. 2.2.1) als
subonderdeel 2.5(cassatiedagvaarding nr. 2.2.5) is gericht tegen rov. 7. Daarin heeft het hof (onder meer) overwogen dat de verstopping in de rioolafvoerleiding van Woonplus die de overstroming heeft veroorzaakt, het gevolg was van oneigenlijk gebruik van het rioolsysteem door de huurders van de bovengelegen woonlagen. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat een zodanige verstopping kan worden beschouwd als een feitelijke stoornis in de zin van art. 7:204 lid 3 BW Pro, zodat in zoverre geen sprake is van een gebrek als bedoeld in art. 7:204 lid 2 BW Pro (zie hiervoor onder 1.7).
De rioolafvoerleiding van het portiekwoningencomplex van Woonplus (…).”. [20] [eiser] heeft dat niet betwist. Ook het hof gaat er kennelijk van uit dat de verstopping zich heeft voorgedaan in de rioolafvoerleiding van het portiekwoningencomplex van Woonplus (rov. 7 “
Niet in geschil is dat de in december 2009 geconstateerde overstroming het gevolg was van een verstopping in de rioolafvoerleiding van Woonplus.”). Het betreft hier derhalve een verstopping van een
buiten het gehuurde gelegenrioolafvoerleiding van Woonplus. Ook het middel gaat daar vanuit. [21]
buiten het gehuurdeheeft voorgedaan (met als gevolg een overstroming
inhet gehuurde) - moet worden aangemerkt als een feitelijke stoornis door derden in de zin van art. 7:204 lid 3 BW Pro geeft, mede gezien de hiervoor onder 2.16 sub 1 en sub 3 genoemde feiten en omstandigheden, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
overlastdoor een andere huurder van dezelfde verhuurder. In een dergelijk geval is geen sprake van een gebrek zolang er geen sprake is van een tekortschieten van de verhuurder in de verplichting om daartegen op te treden. [23] Nu het hof van oordeel is de verstopping is veroorzaakt door oneigenlijke gebruik van de rioolafvoerleiding door de huurders van de bovengelegen woningen en Woonplus niet tekort is geschoten in het nemen van maatregelen om dit tegen te gaan, valt de onderhavige situatie daarmee te vergelijken en is er hier dus geen sprake van een gebrek in de zin van art. 7:204 lid 2 BW Pro. Zie ook nader de bespreking van subonderdeel 2.3.
subonderdelen 2.2, 2.4en
2.6(cassatiedagvaarding nrs. 2.2.2, 2.2.4 resp. 2.2.6) nemen, gelet op de bespreking van de subonderdelen 2.1 en 2.5, elk ten onrechte tot uitgangspunt dat de onderhavige (overstroming die het gevolg is van de) verstopping in de rioolafvoerleiding van Woonplus te kwalificeren valt als een gebrek in de zin van art. 7:204 lid 2 BW Pro en falen derhalve.
“toerekenbare tekortkoming”)berusten zij derhalve op een onjuiste rechtsopvatting en falen zij.
[eiser] heeft hiermee steeds beoogd te stellen dat het al dan niet overstromen in het domein en de risicosfeer van Woonplus ligt hetgeen dus ook voor haar risico moet komen (…)” en subonderdeel 2.4
“(…) als gevolg van een gebrek dat voor risico van Woonplus komt, [eiser] niet dat huurgenot heeft gehad dat hij redelijkerwijs mocht verwachten, als gevolg waarvan Woonplus tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst tussen partijen en op die grond de schade die [eiser] als gevolg daarvan heeft geleden, dient te vergoeden.”)en/of
onderhavige(overstroming die het gevolg is van de) verstopping in de rioolafvoerleiding van Woonplus bij het aangaan van de overeenkomst aanwezig was en/of Woonplus deze toen kende of had behoren te kennen en/of toen aan [eiser] heeft te kennen gegeven dat het gehuurde het gebrek niet had. In cassatie moet er daarom vanuit worden gegaan dat de onder 2.24 sub 2 genoemde grond voor aansprakelijkheid zich hier niet voordoet.
grief 1heeft [eiser] betoogd dat de kantonrechter hem ten onrechte niet is gevolgd in zijn standpunt dat Woonplus bij aanvang van de huurovereenkomst bekend was met het gebrek aan het gehuurde, welk gebrek volgens [eiser] was gelegen in het
eerderoptreden van problemen met water dat via het riool weer naar binnenstroomt (vgl. rov. 4 eerste volzin van het arrest). Deze grief heeft het hof verworpen. Tegen dit oordeel zijn in het cassatiemiddel geen (specifieke) klachten gericht.
geensprake is:
valt toe te rekenenen Woonplus daarom aansprakelijk is (vgl. subonderdeel 2.2 en subonderdeel 2.4), faalt het onderdeel bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Voorts meent [eiser] (…)”),geen verzwaarde stelplicht aan de kant van de verhuurder meebrengt. Mede gezien de (gemotiveerde) betwisting door Woonplus dat haar op dit punt een verwijt kan worden gemaakt (rov. 8 slot), had [eiser] moeten stellen dat en onderbouwen waarom Woonplus tekort zou zijn geschoten in die verplichting. [eiser] heeft dat volgens het hof nagelaten. Dat oordeel is, zoals gezegd, niet onbegrijpelijk.
subonderdeel 2.7(cassatiedagvaarding nr. 2.2.7) vitieert het slagen van één of meer van voornoemde klachten ook de voortbouwende rov. 8 t/m 11 en het dictum.