Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelricht zich tegen de volgende delen van rechtsoverweging 3.4 van het arrest van het hof, zoals blijkt uit de aanhaling
onder I.1van het middel:
Nu geen sprake is van onrechtmatig handelen dan wel wanprestatie aan de zijde van Metterwoon strandt de vordering tot vergoeding van (immateriële) schade reeds op die grond en kan van verrekening noch opschorting sprake zijn.’
tweede onderdeelis gericht tegen het volgende deel van rechtsoverweging 3.4:
kangeven tot het vegen van de schoorsteen en in dat geval de kosten via de servicekosten aan [eiser] als huurder kan doorbelasten. Van een verplichting is volgens Metterwoon geen sprake. Het hof heeft in het midden gelaten of Metterwoon een verplichting tot het doen vegen van de schoorsteen heeft verzaakt, wat zowel volgt uit de formulering ‘een eventuele verzaking van de verplichting om de schoorsteen te vegen’ als uit de omstandigheid dat het hof de kwestie af heeft gedaan op het ontbreken van schade.
omdatMetterwoon de schoorsteen niet had laten vegen, terwijl het [eiser] niet meer dan enkele tientallen euro’s zou hebben gekost om dit vegen zelf te doen uitvoeren. In verband met dit laatste valt ook nauwelijks serieus te nemen de gedachte dat opschorting van de verbintenis tot betaling van de huur tot een bedrag van € 1.580,29 [8] (zijnde ruim driemaal het bedrag van de maandelijkse huurtermijn) door de niet-nakoming van de veronderstelde verplichting van Metterwoon werd gerechtvaardigd. Mij dunkt dat er aldus verschillende goede gronden bestonden om de stellingen van [eiser] met betrekking tot het niet-vegen van de schoorsteen te passeren (veel overtuigender dan de daarvoor door het hof gebezigde grond) en dat [eiser] dus niet werkelijk onrecht is aangedaan. Met het voorgaande is ook gezegd dat een welwillende lezing van het middel als hiervoor bedoeld, [eiser] mijns inziens uiteindelijk niets zou opleveren, omdat na cassatie en verwijzing waarschijnlijk dezelfde beslissing zou volgen (zij het met een betere motivering).
derde onderdeelis gericht tegen rechtsoverweging 3.7 van het arrest van het hof en dan met name tegen de beslissing op het verweer van [eiser] dat de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt. Het hof heeft in die overweging en de daaraan voorafgaande overweging als volgt overwogen:
subonderdeel III.A.3 en III.A.4, betoogt het onderdeel dat ‘de in de tweede grief geformuleerde verweren’ (waarbij de steller van het middel klaarblijkelijk het oog heeft op de kwesties van de rookgasafvoer en het vegen van de schoorsteen) ook in het kader van de derde grief essentiële stellingen zijn en door het hof kenbaar hadden moeten worden meegewogen, óók als het beroep van [eiser] op ‘wanprestatie en/of opschorting’ faalde.
subonderdelen III.B.3 en III.B.4(III.B.1 en III.B.2 ontbreken) wordt geklaagd dat het oordeel van het hof over de gevolgen van het inlopen van de huurachterstanden rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Daarbij verwijst het onderdeel naar de overweging van het hof in rechtsoverweging 3.6 dat bij de beoordeling van de vraag of de tekortkoming ontbinding rechtvaardigt, de rechter ook rekening moet houden met eventuele omstandigheden die hebben plaatsgevonden na de gestelde tekortkoming.
subonderdeel III.C.7is een alternatieve verpakking van hiervoor reeds ondeugdelijk bevonden klachten en behoeft daarom geen afzonderlijke bespreking.