Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
- Hetgeen door de strafrechter hier bewezen is verklaard werd in de wet bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste 12 jaren;
- Tot 1 maart 1989 was in art. 70, eerste lid onder 3, Sr opgenomen dat voor misdrijven waarop een tijdelijke (d.w.z. niet levenslange) gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld, de termijn van de vervolgingsverjaring 12 jaren is;
- Wanneer, op grond van art. 76 lid 2 Sr Pro, bij deze termijn één derde wordt opgeteld, komt men uit op een executieverjaringstermijn van (12 + 4 =) 16 jaren;
- Aangenomen dat de executieverjaringstermijn opnieuw is gaan lopen vanaf de datum waarop de veroordeelde zich voor het eerst aan de tenuitvoerlegging heeft onttrokken, is deze termijn 16 jaar later verstreken, dus op 8 november 2005. Vanaf 8 november 2005 was het recht tot tenuitvoerlegging van de opgelegde straf vervallen. De voortzetting van de executie in 2012 en later is daarom onrechtmatig.
slechts voor de vervolgingsverjaringin eerbiedigende werking ten opzichte van het tot dan toe geldende recht; niet voor de executieverjaring. Voor de executieverjaring geldt derhalve dat de in art. I van die wet neergelegde verlenging van de termijn onmiddellijk werking heeft. Voor de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging gold per direct, met ingang van 1 maart 1989, een verjaringstermijn van twintig jaren.
tenzij uit de wet anders volgt. De rechtsvraag die moet worden beantwoord is dan ook: volgt uit de overgangsbepaling in art. VI van de wet van 19 april 1989, Stb. 7, dat de tot 1 maart 1989 bestaande executieverjaringstermijn (van,
in casu, 16 jaren) moet worden geëerbiedigd?
vervolgingsverjaring. Aanvankelijk was in het wetsvoorstel niet voorzien in een overgangsbepaling. In de vakliteratuur is hiervoor aandacht gevraagd [3] . Bij memorie van antwoord hebben de ministers hierop gereageerd als volgt:
in abstracto. In het licht hiervan acht ik – anders dan het hof in rov. 12 – de omstandigheid dat in de parlementaire geschiedenis van de wet van 19 april 1989, Stb. 7, geen aandacht is besteed aan de gevolgen van deze overgangsbepaling voor de executieverjaringstermijn, niet beslissend.