Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 9 februari 2016
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
[naam] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“in vijftien jaren voor misdrijven waarop gevangenisstraf van meer dan tien jaren is gesteld”. Uitgaande van deze gewijzigde bepaling zou het recht om de aan [naam] opgelegde straf ten uitvoer te leggen door verjaring vervallen na ommekomst van 20 jaar. Artikel VI van deze wet bepaalt echter dat deze wijziging niet van toepassing is op strafbare feiten waarop een gevangenisstraf van meer dan tien jaar, maar minder dan levenslang staat, en die zijn gepleegd voordat deze wet in werking treedt. Tussen partijen is niet in geschil dat de feiten waarvoor [naam] is veroordeeld, voor de inwerkingtreding van de wet van 19 januari 1989 zijn gepleegd.
strafbare feitendie
gepleegdzijn voordat de wet in werking is getreden en dat dit artikel niet spreekt over de executieverjaring, laat dat de wettelijke afhankelijkheid van de executieverjaring van de vervolgingsverjaring onverlet. Ook de wetsgeschiedenis geeft geen aanleiding tot de gedachte dat de wetgever, ondanks de bestaande wettelijke koppeling van de executieverjaring aan de vervolgingsverjaring, de consequentie die uit artikel VI van de wet van 19 januari 1989 noodzakelijkerwijs volgt voor de executieverjaring, niet heeft gewild. Het feit dat de overgangsbepaling in het leven is geroepen om eventuele strijd met het bepaalde in artikel 1 Sr Pro. te voorkomen steunt weliswaar de stelling van de Staat dat de wetgever niet het oog heeft gehad op de executieverjaring, maar dat is niet doorslaggevend gelet op de afhankelijkheid van de executieverjaring van de vervolgingsverjaring die uit artikel 76 Sr Pro volgt. Uit de wetsgeschiedenis is niet af te leiden dat de wetgever van de wettelijke koppeling heeft willen afwijken en de termijn van de executieverjaring los van de vervolgingsverjaringstermijn wél heeft willen verlengen.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 november 2014;
- veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [naam] tot op heden begroot op € 311,- aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat.