Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 3 februari 2016 heeft de raadsman van de verdachte het volgende aangevoerd:
“3. (…) De verdediging doet primair een beroep op noodweer, subsidiair een beroep op noodweerexces, meest subsidiair een beroep op putatief noodweer.
Noodweer
4. Er is sprake van een wederrechtelijke aanranding in de woning en daarna opnieuw op de trap. Er was sprake van een situatie waarin hij zich mocht verdedigen. Ik denk ook niet dat daar discussie over zal zijn.
5. De vraag die uw Hof vervolgens in eerste instantie ontkennend heeft beantwoord is: was de verdediging ook proportioneel? Er is geoordeeld dat cliënt de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden door zich met een mes te verdedigen tegen iemand die hem met zijn handen vastpakte.
6. De A-G heeft in zijn conclusie gesteld dat de redenatie onjuist is. Er moet namelijk volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden vastgesteld of - het zich verdedigen met een mes als verdedigingsmiddel - niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.
7. Dat doet het hier niet. Belangrijkste getuigenverklaring is de verklaring van getuige [getuige 1] op dit punt. Overigens vindt de verklaring van cliënt geheel steun in de verklaring van die [getuige 1] , waardoor ook kan worden uitgegaan van de verklaring van cliënt.
8. Ik ga dan ook uit van de verklaring van cliënt en de verklaring van [getuige 1] . Ook getuige [getuige 2] verklaart dat de oudere man bleef graaien naar de jongen. Hij maakte ook slaande bewegingen richting het lichaam van die jongen.
9. Uitgaande van deze verklaringen blijkt dat cliënt alles heeft gedaan wat mogelijk is om zich los te rukken. Zelfs op het moment dat hij het mes in zijn handen had en hier in feite mee dreigde, is hij niet onmiddellijk gaan zwaaien, maar heeft hij zich nog met het mes in de hand proberen los te rukken. Kennelijk was dit voor aangever nog steeds geen reden om cliënt los te laten. Uiteindelijk heeft hij als laatste redmiddel, als ultimum remedium, met het mes een afwerende beweging gemaakt om afstand te creëren. Hij heeft geen moment een stekende beweging gemaakt. Dit is ook bij één beweging gebleven ter noodzakelijke verdediging. Daarna heeft hij meteen de benen genomen, toen de aanval was afgewend. Hij kon niet anders en de verdediging is dan ook proportioneel en subsidiair te noemen.
10. De verdediging met een mes staat dan zeker niet in onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. Zeker ook gelet op het feit dat het naar de uiterlijke verschijningsvorm ook puur gericht was op de verdediging, nu de getuige [getuige 1] dit zo verklaart. [getuige 1] verklaart niets over dat hij het zo vreemd en overdreven vond dat cliënt een mes pakte. Mocht u menen dat de wijze van verdediging in onredelijke verhouding staat [tot] de ernst van de aanranding (waarbij u ook het aspect van het vuurwapen tonen in de woning niet moet vergeten), dan verneem ik in uw arrest graag wat u dan als alternatieven voor ogen had gehad.
Noodweerexces
11. Mocht u oordelen dat de cliënt te ver is gegaan in zijn verdediging, dan is dit veroorzaakt door de hevige gemoedstoestand waarin hij verkeerde ten tijde van de zwaaiende beweging met het mes.
12. Hoge Raad stelt daar de volgende eis aan:
a. De verdachte heeft de hem verweten gedraging verricht in een situatie, een op een tijdstip, waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien;
13. De hevige gemoedsbeweging bij cliënt is veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding op de trap en beneden, wat ook is gezien door de getuigen en door hetgeen er boven is gebeurd. Daar is hij in ieder geval door de kamer geslingerd tegen een dressoir door aangever. Ook heeft hij nog een pistool tegen zijn hoofd gehad. Waarom zou cliënt hier over liegen? Wat is zijn motief daarvoor? Die is er niet. Dit alles heeft een hevige gemoedsbeweging van angst en boosheid veroorzaakt. Ook andere factoren dan de uiteindelijke wederrechtelijke aanranding kunnen bijdragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging. De angst was enorm bij cliënt, dat blijkt ook uit het feit dat hij werkelijk stond te stuiteren nadat het was gebeurd, aldus de getuige.
14. Dan kan er nog een onderscheid worden gemaakt tussen intensieve of extensieve overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging. Mocht u toch nog menen dat het middel in onredelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding, dan is sprake van intensieve overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging.
Putatief noodweer
15. Het Hof heeft in eerste instantie ambtshalve nog geoordeeld dat geen sprake is van putatief noodweer. Over die ambtshalve beoordeling had de A-G ook nog wel wat opmerkingen willen vuil maken, maar omdat ik daar geen middelen tegen had gericht, heeft hij dat nagelaten.
16. In deze situatie waarin cliënt in de veronderstelling verkeerde dat er mogelijk een zeer ernstige wederrechtelijke aanranding dreigde, kan gesproken worden van putatief noodweer. De voorstelling die cliënt zich redelijkerwijs kon maken, was dat cliënt ontvoerd zou worden in de auto en dan was het nog maar de vraag wat hem te wachten stond gelet op het vuurwapen dat iemand bij zich had.
17. Wanneer het enige doel van aangever was, hem uit de woning te gooien, dan was dat doel al verwezenlijkt toen ze op de trap liepen en beneden waren. Met welke reden werd cliënt dan nog vastgepakt en meegetrokken? Cliënt kon zich maar één reden voorstellen, dat ze hem in de auto wilden gooien. Gelet op die voorstelling die hij zich redelijkerwijs kon en mocht maken in die gegeven situatie, mocht hij zich tegen die ogenblikkelijke wederrechtelijke
dreigende aanranding verdedigen.”