Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
29 september 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor het met een mes steken van een persoon tijdens een conflict in Den Haag op 19 maart 2012. Het Hof Den Haag verwierp het beroep op noodweer omdat de verdachte volgens het hof de grenzen van noodzakelijke verdediging had overschreden.
De feiten betroffen een wederrechtelijke aanranding van de verdachte in zijn woning door de aangever en diens compagnon, waarbij een pistool werd getoond. De verdachte werd vervolgens gedwongen mee te gaan naar beneden, waar een worsteling ontstond. De verdachte haalde een mes tevoorschijn en maakte een zwaaiende beweging waarmee hij de aangever raakte.
De verdediging stelde dat sprake was van noodweer en noodweerexces, onderbouwd met verklaringen van de verdachte en getuigen die het handelen van de verdachte als afwerend en proportioneel omschreven. Het Hof vond echter dat de verdediging met het mes niet noodzakelijk was omdat de aangever hem met de handen vasthield en geen pistool zichtbaar was.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de verwerping van het beroep op noodweer niet zonder meer begrijpelijk heeft gemotiveerd, gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het Hof Den Haag voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van het beroep op noodweer.