Conclusie
1.Feiten en procesverloop
4.Algemene declaratiebepalingen
9.Gegevens op de factuur
Elke factuur dient naast de gebruikelijke informatie de volgende gegevens te bevatten:
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Famed meent ten volle te hebben voldaan aan haar stelplicht en bewijslast. Net als in eerste aanleg concentreert deze kwestie zich niet zozeer op de feiten van het onderhavige geval, maar dient met name tot het verkrijgen van een rechterlijk oordeel over een theoretische rechtsvraag. Aan bewijslevering bestaat dan ook naar alle waarschijnlijkheid geen behoefte.” [8] Zoals in het onderstaande zal blijken, komt de beantwoording van de voorliggende vraag naar mijn mening goeddeels neer op (de uitleg van) de inhoud van de concrete afspraken tussen de verschillende partijen. Vraag is dan ook of deze zaak zich leent voor beantwoording van principiële vragen.
naturaverzekerde zorg wordt verleend. Anders dan de voormalige Ziekenfondswet, legt de Zvw aan zorgverzekeraars niet de verplichting op overeenkomsten met zorgaanbieders, of omgekeerd, aan te gaan. Ook bepaalt de Zvw niets over de inhoud van dergelijke overeenkomsten. [12] Verreweg de meest voorkomende situatie is dat de zorgverzekeraar ter voldoening aan zijn leveringsplicht overeenkomsten (‘zorgcontracten’) sluit met van hem onafhankelijke zorgaanbieders zoals huisartsen, fysiotherapeuten en ziekenhuizen. Tussen zorgverzekeraar en zorgaanbieder komt dan een overeenkomst van
opdrachttot stand, op grond waarvan de zorgaanbieder gehouden is aan naturaverzekerden de overeengekomen zorg te verlenen en de zorgverzekeraar gehouden is de overeengekomen kosten van zorg aan de zorgaanbieder te vergoeden (‘
loon’, art. 7:405 BW Pro). [13] Behoudens (tariefs)beperkingen zoals die voortvloeien uit de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) [14] , zijn partijen vrij in de bepaling van de prijs van de zorg.
restitutiemodelheeft de verzekerde tegenover de zorgverzekeraar recht op een uitkering in geld ter vergoeding van de door hem geleden schade, bestaande in het aan de zorgaanbieder verschuldigd geworden loon. In de eenvoudigste vorm voldoet de verzekerde de nota van de zorgaanbieder, waarna hij deze declareert bij de zorgverzekeraar. In de praktijk van de restitutieverzekering worden echter ook
(betalings)overeenkomstengesloten tussen zorgverzekeraar en zorgaanbieder op grond waarvan de zorgverzekeraar de kosten van zorg zelf rechtstreeks aan de zorgaanbieder voldoet. In de literatuur wordt deze werkwijze wel gekwalificeerd als nakoming van een verbintenis (van de verzekerde) door een derde (de zorgverzekeraar) in de zin van art. 6:30 BW Pro. [17]
betalingsafsprakengemaakt. [19]
haar cliëntentot betaling van loon had verkregen (rov. 3.9). Het wordt uitgewerkt in vijf subonderdelen (1a t/m 1e).
gesloten, althans (in beginsel) ontstaat op het moment dat de overeengekomen behandeling wordt
aangevangen, althans deze behandeling is
verricht. Althans, en ieder geval, zou het hof hebben miskend dat bij behandelingen die gedurende een langere periode doorlopen, en die bestaan uit meerdere c.q. afzonderlijke prestaties van de zorgaanbieder (zoals, naar volgt uit hetgeen Famed heeft aangevoerd, bij de door Better Life verrichte behandelingen het geval is), steeds
tussentijdsaanspraken op loon ontstaan voor iedere afzonderlijke prestatie die, c.q. gedeelte van de behandeling dat is verricht (althans in beginsel, behoudens andersluidende partijafspraken).
duidelijk had moeten makendat Better Life wél tussentijds vorderingen tot betaling van loon verkreeg; dit volgt immers reeds uit (het systeem van) art. 7:461 BW Pro. Better Life hoefde daarvoor dus geen aparte afspraken met haar cliënten te maken en Famed behoefde daarover niets duidelijk te maken.
verschuldigdheidvan een prestatie. [20] Het antwoord op de vraag wanneer een vordering ontstaat, is door de wetgever overgelaten aan het oordeel van de rechter. Daarbij is slechts opgemerkt dat van belang zal zijn van hoeveel nog niet of niet volledig vaststaande feiten het bestaan van de vordering afhankelijk is. [21]
verschuldigdheidvan de verbintenis – en daarmee het bestaan van de vordering – en welke slechts op de
opeisbaarheiddaarvan. Tot op heden is noch in de wet, noch in de rechtspraak van de Hoge Raad een algemeen criterium geformuleerd aan de hand waarvan het bestaan van een vordering kan worden bepaald. In de literatuur zijn echter pogingen ondernomen om tot een onderscheidende norm te komen die het – door de Hoge Raad gekozen – ontstaansmoment van vorderingen kan verklaren en voorspellen. [27]
voorwaardemaakt en wat tot een
ontstaansvereiste, laat zich echter niet in een eenvoudige en onderscheidende maatstaf vatten. Het zal afhangen van de aard van de betrokken rechtsverhouding en – binnen zekere grenzen – de bedoeling van partijen. [28] [29]
opdracht. Indien de overeenkomst van opdracht door de opdrachtnemer in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf is aangegaan, is de opdrachtgever hem loon verschuldigd (art. 7:405 BW Pro). De wet bepaalt niet op welk tijdstip het loon is verschuldigd.
geneeskundige behandelingsovereenkomstbepaalt art. 7:461 BW Pro dat de opdrachtgever de hulpverlener loon verschuldigd is, behoudens voor zover deze voor zijn werkzaamheden loon ontvangt op grond van het bij of krachtens de wet bepaalde dan wel uit de overeenkomst anders voortvloeit. Deze bepaling wijkt af van art. 7:405 BW Pro. Tjong Tjin Tai merkt op dat de reden voor bedoelde uitzondering is dat de hulpverlener in de gezondheidszorg veelal zijn declaratie geheel of gedeeltelijk bij de zorgverzekeraar van de patiënt kan indienen (hiernaar verwijst het ‘bij of krachtens de wet bepaalde’). [34] Het niet door de zorgverzekeraar vergoede deel (hierop doelt het ‘voor zover’) zal de opdrachtgever krachtens de onderhavige bepaling zelf moeten betalen. De hoogte van het loon wordt voor reguliere medische behandelingen geregeld door de Nederlandse Zorgautoriteit die krachtens de Wmg de tarieven vaststelt voor zorgaanbieders. [35]
maakt geen inbreuk op de rechten en plichten van degenen die de prestatie en het tarief mogen declareren, degenen die de betaling van de declaratie verschuldigd zijn en degenen die geacht worden de declaratie te betalen. Ieder blijft krijgen wat hem toekomt. Een ingevolge dit artikel vast te stellen regel kan wel de weg veranderen waarlangs de declaratie of betaling verloopt; bijvoorbeeld dat een zorgaanbieder niet rechtstreeks bij een patiënt declareert of dat een declaratie niet rechtstreeks aan een zorgaanbieder wordt betaald maar via een derde.Dan moet worden vastgesteld aan welke derde (
aan wie) de zorgaanbieder declareert, dat de derde de declaratie aan de patiënt uitbrengt (
door wie), dat de derde de betalingen ontvangt en deze doorgeeft aan de zorgaanbieder voor welke de tussenpersoon heeft gedeclareerd (
voorwaarden) en dat de zorgaanbieder niet meer buiten die derde om alsnog rechtstreeks declareert (
beperkingen). De bevoegdheid is ten eerste nodig om het declaratie- en betalingsverkeer te kunnen stroomlijnen en zo de administratieve lasten te beperken.”
Voor het geldend kunnen maken van een aanspraak op betaling van een tarief dient een civielrechtelijke grondslag bestaan en [het CBb] wijst daarbij op de geneeskundige behandelingovereenkomst. De WMG zelf roept geen zelfstandig recht op betaling voor een prestatie door een zorgverlener in het leven. De WMG schept, voor zover het om tariefregulering gaat, slechts publiekrechtelijke verplichtingen voor de betrokken partijen met betrekking tot met name de hoogte en declaratiewijze van het tarief voor een prestatie, die in acht genomen moeten worden telkens wanneer een zorgaanbieder jegens een ander aanspraak maakt op betaling als tegenprestatie voor verrichte of te verrichten diensten.
werkzaamheden verricht.”
subonderdeel 1abetoogt dat de vordering tot betaling van loon op een patiënt (behoudens andersluidende partijafspraken) ingevolge art. 7:461 BW Pro ontstaat op het moment waarop de geneeskundige behandelingsovereenkomst wordt gesloten althans de overeengekomen behandeling wordt aangevangen, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting. Blijkens de geciteerde wetsgeschiedenis wordt ten aanzien van zowel de overeenkomst van opdracht als de geneeskundige behandelingsovereenkomst uitgegaan van de verschuldigdheid van loon eerst na het verrichten van een prestatie. Voor zover het subonderdeel betoogt dat de loonvordering (in beginsel) ontstaat op het moment dat de overeengekomen behandeling is verricht, mist het feitelijke grondslag nu het in casu juist gaat om behandelingen welke nog niet waren afgerond (rov. 3.9 eerste zin).
kunnenzijn.” [50] Dat laatste volgt niet reeds uit het systeem van art. 7:461 BW Pro, maar zal moeten volgen uit de concrete afspraken tussen partijen, de toepasselijke gebruiken of de redelijkheid en billijkheid. [51]
subonderdeel 1btevergeefs aan dat het hof in rov. 3.9 ten onrechte heeft aangenomen dat Famed aan de hand van inhoud en strekking van de geneeskundige behandelingsovereenkomsten tussen Better Life en haar cliënten (voldoende concreet) concreet duidelijk had moeten maken dat Better Life tussentijdse vorderingen tot betaling van loon verkreeg omdat dit reeds uit (het systeem van) art. 7:461 BW Pro zou volgen. [52]
subonderdeel 1ebrengen vorenstaande klachten met betrekking tot 's hofs oordeel in rov. 3.9 over het ontstaansmoment van de loonvordering op de patiënt reeds mee dat ook het (daarop voortbouwende) oordeel in rov. 3.9 dat een zorgverzekeraar de daar tegenover staande schuld niet kan hebben overgenomen of als derde gehouden zijn deze te voldoen, en ook de door het hof in rov. 3.14 bereikte conclusie dat de vorderingen van Better Life op zorgverzekeraars niet vóór het faillissement van Better Life (kunnen) zijn ontstaan, niet in stand kunnen blijven.
los van het voorgaande’ vorderingen op zorgverzekeraars heeft verkregen uit hoofde van de rechtsverhouding tussen haar en die zorgverzekeraars (rov. 3.10), en (ii) de gronden waarop het hof die vraag vervolgens ontkennnend beantwoordt (rov. 3.11-3.13). Het onderdeel valt uiteen in drie subonderdelen (2a tot en met 2c).
betaalovereenkomstenwelke Better Life met zorgverzekeraars had gesloten en op grond waarvan de zorgverzekeraars de uit de geneeskundige behandelingsovereenkomsten voortvloeiende betalingsverplichtingen van de patiënten zouden hebben
overgenomen, dan wel jegens Better Life gehouden waren om het door de patiënt verschuldigde loon
als derde te voldoen. De uit deze rechtsverhouding voortvloeiende vorderingen van Better Life op de zorgverzekeraars waren aldus direct gekoppeld aan de loonvorderingen van Better Life op haar patiënten. [55] Het falen van onderdeel 1 brengt met zich dat als uitgangspunt heeft te gelden dat er voor faillissement geen loonvorderingen van Better Life op de patiënten uit hoofde van de geneeskundige behandelingsovereenkomsten zijn ontstaan. Gegeven dit uitgangspunt en voornoemd standpunt van Famed is dan – los van het concrete oordeel van het hof dat door onderdeel 2 wordt bestreden – een voor faillissement ontstane vordering van zorgverlener Better Life op de zorgverzekeraars van de patiënten niet aan de orde. Onderdeel 2 mist om die reden belang. Ten overvloede zal ik kort op de klachten van onderdeel 2 ingaan.
los staat van de geneeskundige behandelingsovereenkomsttussen Better Life en haar cliënten en (ii) dat het hof in het verlengde
dáárvanin rov. 3.11 heeft geoordeeld dat voor het ontstaan van een vordering van Better Life op een zorgverzekeraar niet beslissend is het moment waarop Better Life een geneeskundige behandelingsovereenkomst heeft gesloten met een verzekerde cliënt of ter uitvoering daarvan geneeskundige werkzaamheden ten behoeve van deze cliënt heeft verricht of gaat verrichten, en in rov. 3.12 dat uit de wet niet volgt wanneer uit de overeenkomst tussen Better Life en een zorgverzekeraar vorderingen ontstaan. Volgens het subonderdeel heeft Famed echter juist betoogd dat tussen beide rechtsverhoudingen (de geneeskundige behandelingsovereenkomsten tussen Better Life en haar cliënten en de rechtsverhouding tussen Better Life en de zorgverzekeraars op grond waarvan Better Life gerechtigd was de kosten van geneeskundige behandelingen die zij heeft verricht ten behoeve van verzekerde cliënten, te factureren aan de zorgverzekeraars; rov. 3.2) een nauwe
samenhangbestaat en aangevoerd dat – gelet op die samenhang – voor het ontstaansmoment van de vorderingen op zorgverzekeraars moet worden
aangeknooptbij het moment waarop in de verhouding tussen Better Life en haar cliënten de vordering(en) tot betaling van loon ontstond(en). [56] In het licht hiervan is het hof bij zijn oordeel in rov. 3.10 tot en met 3.13 uitgegaan van een onbegrijpelijke lezing van de stellingen van Famed en/of heeft het op deze (essentiële) stellingen niet (toereikend) gerespondeerd. Daarbij geldt overigens opnieuw dat, zoals in onderdeel 1 al is aangevoerd, de vordering van de zorgaanbieder op de patiënt/verzekerde tot betaling van loon als bedoeld in art. 7:461 BW Pro (en daarmee tevens de vordering tot betaling daarvan op de verzekeraar) in beginsel ontstaat op het moment waarop deze geneeskundige behandelingsovereenkomst is aangegaan, althans uit hoofde daarvan door de zorgaanbieder een of meer (afzonderlijke) prestaties zijn verricht. Reeds om deze reden kan ook hetgeen het hof in rov. 3.10 tot en met 3.13 overweegt niet in stand blijven.
los van het voorgaande’ – waarmee het hof kennelijk, anders dan het onderdeel tot uitgangspunt neemt, bedoelt afgezien van
schuldovernemingof
betaling door een derde– vorderingen van Better Life op de verzekeraars waren ontstaan uit hoofde van de tussen hen bestaande rechtsverhouding (rov. 3.10) respectievelijk het contract op basis waarvan zij als zorgverlener rechtstreeks bij de zorgverzekeraar kon declareren (rov. 3.11). Deze lezing is niet onbegrijpelijk. De stellingen van Famed in feitelijke instanties omtrent de grondslag van eventuele betalingsverplichtingen van de zorgverzekeraars jegens Better Life munten niet steeds uit in helderheid. Famed heeft gesteld dat er geen enkel zorgcontract bleek te zijn gesloten en dat er uitsluitend een beperkt aantal betaalafspraken is gemaakt met een aantal verzekeraars. Onder verwijzing naar het overgelegde voorbeeld van een dergelijke betaalovereenkomst (prod. 21, een Betaalovereenkomst Ongecontracteerde Zorg Achmea – GGZ-Instelling inzake de declaraties Geestelijke Gezondheidszorg [57] ) heeft Famed gesteld dat Better Life de declaraties rechtstreeks bij de verzekeraar kon aanleveren en dat uit hoofde van deze betalingsovereenkomsten ‘vorderingen ontstonden (met als basis de vordering op de patiënt uit de behandelovereenkomst) op zorgverzekeraars’. [58] Naast kwalificaties als contractsoverneming en betaling door een derde [59] wordt door Famed tevens (zonder nadere kwalificatie) aangevoerd dat ‘in een dergelijke overeenkomst wordt bepaald dat de zorgverlener zijn recht op loon ten aanzien van de uitgevoerde geneeskundige behandeling niet op de patiënt mag verhalen en dat in plaats daarvan de zorgverzekeraar de vordering van de zorgverlener zal voldoen’ [60] ; zij heeft daarbij zelfs betoogd dat de kwalificatie van betaalafspraken niet zelden onduidelijk is, in welk verband zij tevens in het algemeen heeft gesproken over rechtsfiguren als subrogatie en cessie. [61] In dit licht is niet onbegrijpelijk dat het hof, uitgaande van zijn onbestreden vaststelling dat Famed heeft gesteld dat Better Life uit hoofde van het contract met de zorgverzekeraar rechtstreeks bij de zorgverzekeraar kon declareren (rov. 3.11), heeft onderzocht op welk moment uit die overeenkomst (anderszins) een vordering op de zorgverzekeraar ontstaat.
ontstaansmomentvan de vordering van de zorgaanbieder op de zorgverzekeraar bepalen, is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Het (publiekrechtelijke) DBC-systeem roept immers géén (civielrechtelijke) vorderingen in het leven voor de prestaties van een zorgaanbieder (en heeft ook niet de strekking deze civielrechtelijke rechtsverhouding te bepalen of te reguleren) en is derhalve ook niet bepalend voor het ontstaansmoment van dergelijke vorderingen; het DBC-systeem bepaalt slechts de
opeisbaarheiddaarvan. Bovendien zijn 's hofs overwegingen in rov. 3.12 en 3.13 innerlijk tegenstrijdig met zijn – juiste –uitgangspunt in rov. 3.11 dat het DBC-systeem alleen de declaratiewijze en het tarief reguleert en niet de grondslag van vorderingen ter zake van de prestaties van zorgaanbieders vormt, en daarmee bovendien zonder nadere motivering niet begrijpelijk.
als uitgangspunt) meebrengt dat de zorgaanbieder en de zorgverzekeraar (behoudens specifieke andersluidende afspraken) zijn
overeengekomendat de voorschriften van het DBC-systeem bepalend zijn voor het ontstaansmoment van de vordering van de zorgaanbieder op de zorgverzekeraar, is het hof eveneens uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, nu (i) zoals hiervóór al opgemerkt het DBC-systeem juist niet de grondslag van civielrechtelijke vorderingen vormt en (dus) niet de civielrechtelijke rechtsverhouding tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars reguleert of vorm geeft, en (ii) zorgaanbieders en zorgverzekeraars wettelijk verplicht zijn het DBC-systeem na te leven. Anders dan het hof in rov. 3.12 oordeelt, bepaalt het DBC-systeem als zodanig dus niet in belangrijke mate de inhoud van de (civielrechtelijke) afspraken tussen een zorgaanbieder en een zorgverzekeraar, althans niet de inhoud van de afspraken met betrekking tot het ontstaansmoment van de vordering van de zorgaanbieder op de zorgverzekeraar. Evenmin kan aan (het feitelijk naleven van) het DBC-systeem het uitgangspunt worden ontleend dat (behoudens andersluidende afspraken) partijen zijn overeengekomen dat vorderingen van de zorgaanbieder op de zorgverzekeraar pas ontstaan op het moment waarop aan de DBC-voorwaarden voor declaratie en facturering is voldaan.
onderhavigerechtsverhoudingen tussen Better Life en de zorgverzekeraars inhouden dat daarin is overeengekomen dat de vorderingen van Better Life op zorgverzekeraars pas ontstaan op het moment waarop aan de DBC-voorwaarden voor declaratie en facturering is voldaan, is dit eveneens onjuist en/of onbegrijpelijk. Het hof heeft immers uitsluitend vastgesteld dat Better Life en de zorgverzekeraars feitelijk een werkwijze volgden die overeenstemde met de eisen van het DBC-systeem (hetgeen echter, zoals hiervóór al aangevoerd, zijn oordeel niet kan dragen) en heeft niet, aan de hand van de toepasselijke Haviltex-maatstaf, relevante omstandigheden vastgesteld die wél het oordeel kunnen dragen dat partijen zulks zijn overeengekomen, terwijl ook de curator dergelijke omstandigheden niet heeft gesteld, maar louter heeft gesteld dat het DBC-systeem reeds op zichzelf het ontstaansmoment van vorderingen van zorgaanbieders op de zorgverzekeraars bepaalt.
onder (i) en (ii)mist feitelijke grondslag nu het hof niet in zijn algemeenheid oordeelt dat het DBC-systeem het ontstaansmoment van de vordering van de zorgaanbieder op de zorgverzekeraar bepaalt (i) dan wel het naleven van de publiekrechtelijke voorschriften van het DBC-systeem (als uitgangspunt) meebrengt dat de zorgaanbieder en de zorgverzekeraar (behoudens specifieke andersluidende afspraken) zijn overeengekomen dat de voorschriften voor het DBC-systeem bepalend zijn voor het ontstaansmoment van de vordering van de zorgaanbieder op de zorgverzekeraar, of dat het DBC-systeem als zodanig in belangrijke mate de inhoud van de civielrechtelijke afspraken tussen een zorgaanbieder en een zorgverzekeraar op het punt van het ontstaansmoment van de vordering van de zorgaanbieder op de zorgverzekeraar bepaalt (ii). Het hof heeft in rov. 3.11 immers geoordeeld dat het hof met de rechtbank van oordeel is dat het publiekrechtelijke DBC-systeem zelf geen zelfstandige vorderingen in het leven roept voor de prestaties van een zorgaanbieder en dat de regelgeving slechts verplichtingen doet ontstaan met betrekking tot – kort gezegd – de declaratiewijze en het tarief voor een prestatie. Het oordeel van het hof in rov. 3.12 en 3.13 is ook niet innerlijk tegenstrijdig met voornoemd oordeel, nu het hof in rov. 3.12 in de relatie tussen de zorgaanbieder en zorgverzekeraar de contractsvrijheid om te bepalen wanneer een vordering ontstaat voorop stelt en die rechtsverhouding op dat punt – bij gebreke van andere stellingen zijdens Famed (vgl. rov. 3.13 “Uit niets blijkt dat Better Life vóór het moment dat aan de genoemde voorwaarden was voldaan reeds een prestatie van een zorgverzekeraar kon vorderen”) – invult aan de hand van de werkwijze van Better Life en de zorgverzekeraars, welke werkwijze overeenstemde met de eisen van het DBC-systeem, en op basis daarvan oordeelt dat moet worden aangenomen dat de vorderingen van Better Life op de zorgverzekeraars pas ontstonden zodra aan de voorwaarden voor het declareren van een DBC-tarief was voldaan.
onder (iii) faalt eveneens nu in cassatie niet (concreet) wordt bestreden ’s hofs oordeel in rov. 3.13 dat uit niets blijkt dat Better Life vóór het moment dat aan de genoemde voorwaarden was voldaan reeds een prestatie van een zorgverzekeraar kon vorderen. De klacht dat het hof niet aan de hand van de Haviltex-maatstaf relevante omstandigheden heeft vastgesteld die wel het oordeel kunnen dragen dat partijen zijn overeengekomen dat de vorderingen van Better Life op zorgverzekeraars pas ontstaan op het moment waarop aan de DBC-voorwaarden voor declaratie en facturering is voldaan, komt tegen deze achtergrond in de lucht te hangen.
onderdeel 4mee dat ook 's hofs voortbouwende overwegingen in rov. 3.14 en 3.16 alsmede het dictum van zijn arrest niet in stand kunnen blijven.