ECLI:NL:PHR:2017:604

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 mei 2017
Publicatiedatum
10 juli 2017
Zaaknummer
15/04456
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 359 SvArt. 6 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij medeplegen valsheid in geschrift

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag bij arrest van 17 september 2015 veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van valsheid in geschrift en het afleveren en voorhanden hebben van valse geschriften. De verdediging stelde in cassatie meerdere middelen voor, waaronder dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het afweek van het standpunt dat sprake was van vrijspraak wegens gebrek aan medeplegen en opzet.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof wel degelijk de redenen had gegeven waarom het afweek van het verweer van de verdachte, en dat de middelen daarom faalden. Wel stelde de Hoge Raad vast dat het hof niet had beslist op het verweer dat de redelijke termijn was overschreden, terwijl dit expliciet was aangevoerd. Dit is een nietigheid die leidt tot vernietiging van het arrest voor zover het de strafduur betreft.

De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden vanaf de aanhouding van de verdachte op 21 juni 2011 tot het arrest van het hof in september 2015, ondanks de voortvarende behandeling in hoger beroep. Daarom werd de straf verminderd wegens schending van artikel 6 EVRM Pro. Het beroep werd voor het overige verworpen. De zaak werd om doelmatigheidsredenen door de Hoge Raad zelf afgedaan.

Uitkomst: De straf werd verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, het overige beroep werd verworpen.

Conclusie

Nr. 15/04456
Zitting: 16 mei 2017 (bij vervroeging)
Mr. D.J.C. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. De verdachte is bij arrest van 17 september 2015 door het gerechtshof Den Haag wegens onder 1 “
medeplegen van valsheid in geschrift” en onder 2 “
medeplegen van opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht afleveren en voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.
2. Er bestaat samenhang met de zaak tegen [medeverdachte], nr. 15/04923. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is namens de verdachte ingesteld. Mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam, heeft namens de verdachte een schriftuur houdende drie middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het
eerste middelbehelst de klacht dat het hof niet althans onvoldoende de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van het namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat hij van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt hield ter zitting van het hof in dat er geen sprake is van medeplegen, omdat in het vonnis van de rechtbank niet is onderbouwd wat het wezenlijke bijdrage van verdachte is geweest bij het plegen van beide feiten.
5. Het
tweede middelbehelst de klacht dat het hof niet, althans onvoldoende de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van het namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat hij van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt hield in dat er geen sprake was “
van iedere vorm van opzet”, waardoor vrijspraak moest volgen. Daartoe is verder aangevoerd dat de verdachte de medeverdachte Ersin blindelings vertrouwde terwijl Ersin verantwoordelijk was voor het bepalen van de goudprijs, de inkoop van goud e.d.
6. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
7. Alle onderdelen van hetgeen in beide middelen wordt aangeduid als een ‘uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’ heeft het hof geadresseerd in zijn bewijsoverweging. Inhoudelijke bezwaren tegen die bewijsoverweging worden in cassatie niet naar voren gebracht. Het hof heeft, met andere woorden, wel degelijk de redenen opgegeven waarom het is afgeweken van het namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat hij van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Beide middelen falen daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag.
8. Het
derde middelbehelst de klacht dat het hof heeft verzuimd te beslissen op een namens de verdachte gevoerd verweer met betrekking tot de redelijke termijn.
9. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 september 2015 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de bij het proces-verbaal gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

“STRAFMAAT

Client is in de onderhavige strafzaak aangehouden op 21 juni 2011.
De redelijke termijn is in aanzienlijke mate geschonden. De datum waarop de criminal charge ex. Artikel 6 EVRM Pro aan client kenbaar is geworden, kan worden gelijkgesteld met de datum van de aanhouding van client.
Overschrijding redelijke termijn
Standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden.
[…]
Het vonnis in eerste aanleg werd pas in februari 2014 uitgesproken.
[…]
Er zijn dientengevolge 4 jaren verstreken sinds de in verzekering stelling van client en de start van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak in hoger beroep.
[…]
De rechtsgevolgen
[…]
De verdediging verzoekt Uw Gerechtshof het nadeel dat is veroorzaakt door de bij de bij het voorbereidend onderzoek begane onherstelbare vormverzuimen, waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken, te compenseren middels een verlaging van de eventueel op te leggen straf (art. 359 a lid 1 onder a Sv).
10. Het hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken, maar heeft, in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg. [1]
11. De Hoge Raad kan de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen. [2] Aangevoerd is dat de verdachte op 21 juni 2011 is aangehouden en dat dit het moment is waarop de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is geschonden. Van dit ter terechtzitting niet betwiste uitgangspunt moet in cassatie worden uitgegaan.
12. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 4 februari 2014, en het hof op 17 september 2015. De redelijke termijn van berechting als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM bij de behandeling van de zaak is overschreden ondanks de voortvarende wijze waarop de zaak in hoger beroep is behandeld. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf.
13. Het middel is terecht voorgesteld.
14. Het eerste en het tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
15. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan wegens de geconstateerde inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2055, r.o. 2.3.
2.HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2055, r.o. 2.5; HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:947, r.o. 2.4.