Conclusie
medeplegen van valsheid in geschrift” en onder 2 “
medeplegen van opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht afleveren en voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.
eerste middelbehelst de klacht dat het hof niet althans onvoldoende de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van het namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat hij van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt hield ter zitting van het hof in dat er geen sprake is van medeplegen, omdat in het vonnis van de rechtbank niet is onderbouwd wat het wezenlijke bijdrage van verdachte is geweest bij het plegen van beide feiten.
tweede middelbehelst de klacht dat het hof niet, althans onvoldoende de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van het namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat hij van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt hield in dat er geen sprake was “
van iedere vorm van opzet”, waardoor vrijspraak moest volgen. Daartoe is verder aangevoerd dat de verdachte de medeverdachte Ersin blindelings vertrouwde terwijl Ersin verantwoordelijk was voor het bepalen van de goudprijs, de inkoop van goud e.d.
derde middelbehelst de klacht dat het hof heeft verzuimd te beslissen op een namens de verdachte gevoerd verweer met betrekking tot de redelijke termijn.