Conclusie
Het eerste middel
“oproep verdachte”, achter “parketnr.” getypt:
“15-003875-13”en achter “zitting” getypt:
“28 mei 2013”. Deze akte houdt in dat op 6 mei 2013 tevergeefs is gepoogd “de brief” – kennelijk de brief waarin de verdachte wordt opgeroepen op de terechtzitting in eerste aanleg van 18 mei 2013 te verschijnen – uit te reiken op het adres van de verdachte [a-straat 1] te Hoofddorp nu “er niemand aanwezig was of bereid was de brief aan te nemen”. Aan deze akte is een afhaalbericht gehecht waarin als parketnummer is getypt:
“15-160940-12”.De achterzijde van de akte vermeldt dat de brief op 11 mei 2013 aan de geadresseerde met geldig legitimatiebewijs is uitgereikt. De akte bevat voorts achter “handtekening ontvanger” een met pen aangebrachte handtekening waarin ik de naam van de verdachte, [verdachte], ontwaar.
“15.160940.12 en 15.003875.13”. Van daadwerkelijke voeging van de zaken in de zin van art. 259 Sv Pro blijkt echter niet. Ook gelet op het vervolg van de zaken – in de onderhavige zaak met parketnummer 15.160940.12 is afzonderlijk een (mondeling) vonnis gewezen - moet aangenomen worden dat de zaken, zoals in de regel geschiedt, gelijktijdig, doch niet gevoegd behandeld zijn. - De zaak met parketnummer 15.003875.13 is reeds in cassatie geweest bij de Hoge Raad. [1] Het gerechtshof Amsterdam heeft blijkens het arrest van 8 september 2015 in die zaak hetzelfde geoordeeld als het blijkens het bestreden arrest in de onderhavige zaak heeft gedaan, te weten dat de oproeping om op de terechtzitting te verschijnen van 28 mei 2013 op 11 mei 2013 in persoon aan de verdachte is betekend, dat de verdachte op 28 mei 2013 bij verstek is veroordeeld en dat tegen dit vonnis geen hoger beroep is ingesteld binnen veertien dagen. Het hof heeft de verdachte in de zaak met parketnummer 15.003875.13 vervolgens - eveneens op die grond - niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. De raadsman heeft in die zaak het cassatieberoep ingetrokken.