Conclusie
Het middel voorgesteld door de advocaat-generaal bij het ressortsparket
middelkeert zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof dat de betalingsverplichting wordt beperkt tot € 11.700,00 om reden dat de rechtbank in eerste aanleg de betalingsverplichting op dat bedrag heeft vastgesteld en de officier van justitie daarmee klaarblijkelijk genoegen heeft genomen door niet een rechtsmiddel tegen de beslissing van de rechtbank aan te wenden.
“ De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
€ 6.549,51 –
€ 45.930,49
Beslissing op draagkrachtverweer
De verplichting tot betaling aan de Staat
NJ2014/363 m.nt. Borgers heb ik de wetsgeschiedenis van art. 36e Sr geraadpleegd om te bezien of de relevante Kamerstukken richtinggevende beschouwingen over de matigingsbevoegdheid bevatten. Dat bleek nauwelijks het geval. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot invoering van de Wet van 8 mei 2003 “tot wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel” wordt in dat verband slechts gewezen op de mogelijkheid om bij de matigingsbevoegdheid de beperkte draagkracht te betrekken. [2] Dat de memorie van toelichting de draagkracht in zoveel woorden noemt, wil niet zeggen dat de matigingsbevoegdheid daartoe beperkt is. Voor een dergelijke stringente uitleg is in de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunt te vinden. Aldus ook de Hoge Raad in voormeld arrest:
NJ2014/363 m.nt. Borgers aanhalen. Dit arrest betreft een ontnemingsprocedure die tegen de betrokkene was aangevangen als vervolg op een door een klokkenluider geopenbaarde bouwfraudezaak. Het geschatte bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel werd door het hof vastgesteld op € 25.000,-, maar “om redenen als door de raadsman in de door hem ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen en overgelegde pleitnota uiteengezet” achtte het hof termen aanwezig om geen betalingsverplichting op te leggen. Die redenen waren gelegen in, kort gezegd, de disciplinaire maatregelen die aan de betrokkene waren opgelegd en de financiële gevolgen voor de betrokkene (€ 300.000,- aan gederfd inkomen, spaarloon, pensioen en advocatenkosten), de overschrijding van de redelijke termijn en het (lange) tijdsverloop van maar liefst 19 jaar gerekend vanaf de pleegdatum. Tegen die beslissing werd in cassatie door het Openbaar Ministerie met rechts- en motiveringsklachten opgekomen. Het middel was echter tevergeefs voorgesteld, wat het onderhavige onderdeel betreft omdat de motivering van het oordeel van het hof aan de daaraan, op grond van art. 359, vijfde lid, Sv in verbinding met art. 415 Sv Pro en art. 511e Sv, gestelde eisen voldeed, terwijl voorts dat oordeel gelet op hetgeen door de raadsman was aangevoerd niet onbegrijpelijk was.
De middelen voorgesteld namens de betrokkene
eerste middelklaagt erover dat het hof ten onrechte, althans niet (voldoende) begrijpelijk heeft gerespondeerd op het door de raadsvrouw in hoger beroep gevoerde verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van een bepaalde nota vanwege het niet naleven van de verbaliseringsplicht als bedoeld in art. 152 Sv Pro en de daarmee gepaard gaande schending van beginselen van een behoorlijke procesorde en het recht op een eerlijk proces.
tweede middelklaagt over de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.