ECLI:NL:PHR:2017:631

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 mei 2017
Publicatiedatum
11 juli 2017
Zaaknummer
16/03943
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 121 GWArt. 4 ROArt. 269 SvArt. 415 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens schending openbaarheid van het onderzoek in hoger beroep

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam in een economische strafzaak. De verdachte was veroordeeld voor meerdere overtredingen van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, waarbij het hof onder meer een geldboete en een voorwaardelijke stillegging van de onderneming oplegde.

Het cassatieberoep richt zich op de schending van het beginsel van openbaarheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. De Hoge Raad herhaalt het vaste rechtspraak dat het onderzoek in beginsel openbaar moet zijn, zoals neergelegd in art. 6 EVRM Pro, art. 121 GW Pro, art. 4 RO Pro en art. 269 Sv Pro. Uitzonderingen zijn slechts mogelijk bij wettelijke grondslag en met vermelding in het proces-verbaal.

In deze zaak blijkt uit het proces-verbaal dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet openbaar is geschied, hetgeen een ernstig verzuim vormt dat leidt tot nietigheid van het onderzoek en het arrest. De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden arrest en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, economische kamer, voor een nieuw onderzoek en beslissing.

De Hoge Raad acht verdere bespreking van de strafoplegging niet nodig en constateert dat er geen ambtshalve gronden zijn voor vernietiging. De uitspraak bevestigt het belang van het openbaarheidbeginsel en de strikte naleving daarvan in het strafproces.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens niet-openbaar onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 16/03943 E
Zitting: 30 mei 2017
Mr. P.C. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte]
De economische kamer van het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 25 maart 2016 het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Noord- Holland, locatie Haarlem, van 3 februari 2015 vernietigd ten aanzien van de strafoplegging en voor het overige bevestigd. De verdachte is veroordeeld wegens 1 "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 45 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon; en; overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 38 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon", 2 "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 37 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon", 3 "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 38 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon", 4 "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 37 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon", 5 "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 45 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon; en; overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 38 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon" en 6 "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 37 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd begaan door een rechtspersoon". Het gerechtshof heeft de verdachte ten aanzien van de feiten 2, 4 en 6 veroordeeld tot een geldboete van € 4.500,-, en ten aanzien van de feiten 1, 3 en 5 telkens de bijkomende straf bevolen van stillegging van de onderneming van de verdachte [waarin het economisch delict is gepleegd] voor de duur van twee maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Er bestaat samenhang met de zaak 16/03939. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte en mr. J.S. Nan, advocaat te 's-Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel strekt ten betoge dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 maart 2016 [1] aan nietigheid leidt, doordat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet in het openbaar is geschied.
5. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het onderzoek ter terechtzitting dient in het openbaar te geschieden. Dit uitgangspunt is zowel in art. 6, eerste lid, EVRM als in art. 121 GW Pro verwoord. Art. 4, eerste lid, RO en art. 269, eerste lid, Sv, krachtens art. 415 Sv Pro ook in hoger beroep toepasselijk, herhalen dit. Deze bepalingen verwijzen alle naar de mogelijkheid van uitzonderingen op het beginsel van de openbaarheid van het onderzoek op de terechtzitting. Volgens de art. 121 GW Pro en 4, eerste lid, RO dienen die uitzonderingen bij de wet te zijn bepaald. Art. 4, tweede lid, RO voegt daar nog aan toe dat om gewichtige - in het proces-verbaal van de zitting te vermelden - redenen het onderzoek ter terechtzitting geheel of gedeeltelijk kan plaatsvinden met gesloten deuren. Art. 6 EVRM Pro bepaalt met het oog op welke belangen op het beginsel van de openbaarheid inbreuk mag worden gemaakt. Art. 269 Sv Pro regelt de in art. 4 RO Pro aangeduide mogelijkheid van sluiting van de deuren nader en herhaalt met het oog op welke belangen die inbreuk mag worden gemaakt. Dit wettelijk stelsel houdt in dat naast de mogelijkheid van sluiting van de deuren overeenkomstig de regeling van art. 269 Sv Pro niet langs een andere weg inbreuk mag worden gemaakt op het beginsel van de openbaarheid van het onderzoek op de terechtzitting. [2]
6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt niet in dat het aldaar plaatsgevonden onderzoek in het openbaar is geschied. Het moet daarom ervoor worden gehouden dat het voorschrift niet in acht is genomen. Dit verzuim moet leiden tot nietigheid van het onderzoek op de terechtzitting en het naar aanleiding daarvan gewezen arrest.
7. Het middel is terecht voorgesteld. Gelet hierop behoeft het
tweede middel, dat klaagt over de strafoplegging geen bespreking.
8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, economische kamer, teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het proces-verbaal is ongedateerd, maar uit de dagvaarding hoger beroep en het arrest blijkt dat de terechtzitting op 11 maart 2016 plaatsvond.
2.HR 4 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5346, NJ 2000/633 m.nt. ‘t Hart[, HR 9 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1332, NJ 2002/498] en HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:689, NJ 2016/230.