Conclusie
mr. F.I. van Dorsser,
1.De feiten
vermogensrechtelijke belangennaar behoren te behartigen.
gezondheidsbelangennaar behoren te behartigen.”
2.Procesverloop
3.Inleiding op de bespreking van het cassatiemiddel
altijdeen medische rapportage moet zijn bij de beslissing om een beschermingsmaatregel op te leggen. Daarnaast bepaalt beginsel 13 dat betrokkene het recht heeft om gehoord te worden.
Shtukaturov/Ruslandvan het EHRM (§ 95). In deze uitspraak, waarin tevens aandacht wordt besteed aan het belang van het horen van betrokkene (§ 91), wordt ingegaan op het belang van een medische rapportage bij het opleggen van een beschermingsmaatregel (§ 93-94): [15]
matevan onbekwaamheid van betrokkene is, zodat kan worden beoordeeld welke soort beschermingsmaatregel noodzakelijk en proportioneel is.
In deze wet is onder meer opgenomen dat curatele ook voor bepaalde tijd kan worden uitgesproken en dat er periodiek toetsing op proportionaliteit en noodzakelijkheid van de maatregel door de rechter plaatsvindt (art. 1:385 lid 2 BW Pro). Daarmee is op dit punt tegemoet gekomen aan het arrest
Shtukatorov/Rusland.
de persoonvan de meerderjarige ziet het beschermingsbewind op
een of meer goederenwaarover de persoon niet meer kan beschikken en biedt het slechts ten aanzien daarvan vermogensrechtelijke bescherming. [22] Anders dan bij curatele kan de onder bewind gestelde echter niet met toestemming rechtshandelingen verrichten en is sprake van een algehele onbevoegdheid ten aanzien van de onder bewind staande goederen. Wel kan betrokkene met medewerking van de bewindvoerder of met vervangende toestemming van de kantonrechter beschikken over de onder bewind staande goederen. De onderbewindstelling leidt bovendien niet tot handelingsonbekwaamheid, maar tot handelsonbevoegdheid ten aanzien van de onder bewind staande goederen. Sinds 1 januari 2014 dienen onderbewindstellingen wegens verkwisting of problematische schulden eveneens te worden gepubliceerd in het curatele- en bewindregister (art. 1:391 lid Pro 1, tweede volzin en onder 2, BW). Art. 1:436 lid Pro 3, derde volzin BW jo. art. 1:391 lid Pro 1, tweede volzin en onder 3, BW bepaalt voorts dat de rechter in geval van onderbewindstelling wegens lichamelijke of geestelijke toestand
kanbepalen dat de beschikking moet worden gepubliceerd. Anders dan bij curatele hoeft de onderbewindstelling niet te worden gepubliceerd in de Staatscourant.
kanondervraging op diens verblijfplaats geschieden. [29] Er bestaat dus geen
verplichtingtot het horen van betrokkene.
‘derde
’mentor of professionele mentor) verloopt de procedure daarmee volgens hen volgens een te licht traject. Daarbij wijzen zij op het ingrijpende karakter en de lange duur van het mentorschap, alsmede op het hiervoor besproken noodzakelijkheidsvereiste (zie onder 3.2-3.9). [38] Dat noodzakelijkheidsvereiste brengt volgens Oomens en Van Zutphen mee dat een recente schriftelijke verklaring van een gekwalificeerde deskundige moet zijn overgelegd. Oomens en Van Zutphen doen dan ook de volgende aanbeveling [39] :
altijdeen medische verklaring aanwezig moet zijn. Ook is de rechter niet gehouden om, als zo'n verklaring ontbreekt, zelf een deskundigenbericht in te winnen.
altijdter vrije beoordeling aan de feitenrechter kan worden gelaten, zoals tot nu toe in de rechtspraak van de Hoge Raad wordt aangenomen. [42] Vanwege enerzijds het ingrijpende karakter van een ondercuratelestelling en anderzijds het normerende kader dat wordt gegeven door zowel de rechtspraak van het EHRM als de Aanbevelingen van het Comité van Ministers van de Raad van Europa (zie onder 3.3-3.7), zijn er situaties voorstelbaar waarin de rechter wél gehouden is om een deskundigenbericht in te winnen. Dat zou aan de orde kunnen zijn wanneer er in het geheel geen medische verklaring in het geding is gebracht en de feiten waarop het verzoek tot ondercuratelestelling berust, gemotiveerd worden betwist. Ook wanneer betrokkene - om enige reden - niet is gehoord door de rechter, zou de afwezigheid van een medische verklaring de rechter kunnen nopen tot het inwinnen van een deskundigenbericht. Voorts zijn er ook andere situaties denkbaar waarin uit de beginselen van
noodzakelijkheiden
proportionaliteitvoortvloeit dat de rechter niet zonder deskundigenbericht kan beslissen over een ondercuratelestelling. De rechter zal immers een gefundeerde afweging moeten kunnen maken tussen de verschillende beschermingsmaatregelen, waarbij altijd gekozen zal moeten worden voor de minst zware maatregel.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelwordt aangevoerd dat de rechter pas na medische voorlichting kan beoordelen of aan de voorwaarden voor ondercuratelestelling is voldaan. Deze medische voorlichting dient volgens het onderdeel te bestaan uit een recente medische verklaring die is opgesteld met het doel de noodzaak tot onder curatelestelling te beoordelen. Door zijn oordeel te baseren op een conceptverklaring van anderhalf jaar oud die niet specifiek met het doel om de noodzaak van ondercuratelestelling te beoordelen is opgesteld, heeft het hof volgens het onderdeel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en heeft het in het bijzonder art. 8 EVRM Pro, alsmede de Aanbeveling van het Comité van Ministers geschonden, met name Principles 1 en 5.
altijdgebaseerd moet zijn op een medische verklaring. Ook is de rechter niet
altijdgehouden om zelf een deskundigenbericht in te winnen als een medische verklaring ontbreekt. A fortiori kan ook niet worden aangenomen dat vereist is dat een medische verklaring beschikbaar is, die specifiek is opgesteld met het doel de noodzaak van ondercuratelestelling te beoordelen. In zoverre kan het onderdeel dan ook niet slagen. Op te merken is nog dat de arresten van het EHRM waarnaar het cassatiemiddel verwijst,
Winterterp/Nederland, [43] Varbanov/Bulgarije [44] en
Stanev/Bulgarije, [45] betrekking hadden op vrijheidsbeneming en niet op beschermingsmaatregelen. De voor vrijheidsbeneming geldende vereisten kunnen niet zonder meer worden doorgetrokken naar beschermingsmaatregelen.
tweede onderdeelricht zich tegen de vaststelling van het hof in rov. 5.6 dat een bipolaire stoornis niet van voorbijgaande aard is. Aangevoerd wordt dat het niet aan het hof maar aan een deskundige arts/psychiater is om dit te beoordelen. Deze vaststelling is volgens het onderdeel onbegrijpelijk, nu een deskundigenadvies waar dit uit volgt ontbreekt. Voorts wordt aangevoerd dat de aanwezigheid van een bipolaire stoornis er niet automatisch toe leidt dat de betrokkene niet in staat is zijn belangen tijdelijk of duurzaam naar behoren waar te nemen.
derde onderdeelricht zich tot het oordeel van het hof in rov. 5.6, ‘
dat voldoende is gebleken dat [betrokkene] sinds het staken van zijn medicatie en de behandeling van het UMCG voor zijn doen afwijkend en destructief gedrag is gaan vertonen en dat hij steeds verder is afgegleden en in voor hem ongebruikelijke kringen is komen te verkeren, niet in de laatste plaats door overmatig alcohol gebruik.’ Aangevoerd wordt dat de stukken waarop het hof zich in dit verband baseert, niet tot het oordeel kunnen leiden dat [betrokkene] tijdelijk of duurzaam zijn belangen niet behoorlijk waarneemt of zijn veiligheid of die van anderen in gevaar brengt. Daarbij wijst het onderdeel erop dat [betrokkene] de door zijn echtgenote gestelde feiten heeft betwist.
van lieverlee steeds verder is afgegleden en voor zijn doen afwijkend en destructief gedrag is gaan vertonen’. Andere omstandigheden die volgens het hof tot handhaving van de curatele nopen, noemt het in rov. 5.8. Daarin gaat het hof in op de ervaringen van de curator. Verder overweegt het hof in rov. 5.9 dat er sinds de beschikking van de kantonrechter nieuwe aangiftes tegen [betrokkene] zijn gedaan vanwege vernieling en mishandeling, en dat deze íets zeggen over de toestand waarin [betrokkene] zich bevindt en het discutabele milieu waarin hij zich thans ophoudt. Dat deze omstandigheden ertoe leiden dat sprake is van het tijdelijk dan wel duurzaam niet behoorlijk kunnen waarnemen van zijn belangen is een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Ik acht dit oordeel niet onbegrijpelijk en evenmin onvoldoende gemotiveerd. [betrokkene] heeft de gestelde feiten in zijn beroepschrift (p. 5-6) weliswaar betwist, maar het hof heeft deze betwisting onvoldoende overtuigend geacht om tot een ander oordeel te komen (rov. 5.7).
vierde onderdeelis het onbegrijpelijk dat het hof geen doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de deskundigenberichten van de psychiaters Brouwer en Takkenkamp.
vijfde onderdeelwordt aangevoerd dat wat het hof in rov. 5.8, 5.9 en 5.10 aan zijn beslissing ten grondslag legt, zijn beslissing niet kan dragen. Daarbij wordt in het bijzonder gewezen op de overweging dat [betrokkene] ‘
bezig [is] met allerhande activiteiten en het plegen van rechtshandelingen’ en hetgeen het hof overweegt ten aanzien van de contacten van [betrokkene] met de politie.
gewoontevan drankmisbruik kan dan ook in het midden blijven. Het voorgaande brengt met zich dat ook het vijfde onderdeel faalt.
zesde onderdeelheeft betrekking op rov. 5.13, waarin het hof overweegt dat de beschermingsmaatregel van bewind gecombineerd met mentorschap niet zwaar genoeg is in de bijzondere situatie van [betrokkene] . Volgens dit onderdeel getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting omdat niet is getoetst aan de beginselen 5 en 6 van de Aanbeveling van het Comité van Ministers van de Raad van Europa (zie onder 3.3-3.7).
zevende onderdeelziet op het bewijsaanbod. Aangevoerd wordt dat het hof het aanbod om een nader deskundigenonderzoek te laten verrichten niet had mogen passeren (beroepschrift p. 8).